Aanwijzing vervolgingsbeslissing inzake actieve levensbeëindiging
op verzoek (euthanasie en hulp bij zelfdoding)
"Achtergrond
Per 1 april 2002 is de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding van 12 april 2001 in werking getreden (Stb. 2002, 165).
Onder de werking van deze nieuwe wet blijft het bieden van hulp bij zelfdoding en het uitvoeren van euthanasie strafbaar, tenzij de betrokken arts een beroep kan doen op de in de wet opgenomen strafuitsluitingsgronden.
Samenvatting
Deze aanwijzing regelt de wijze waarop het openbaar ministerie onder de nieuwe wet omgaat met gevallen van levensbeëindiging op verzoek (hulp bij zelfdoding en euthanasie).
De officier van justitie blijft onder de nieuwe wet gehouden om, óók in gevallen van levensbeëindiging op verzoek, als bevoegde autoriteit te beslissen over het al dan niet afgeven van een verlof tot begraven/verbranding.
In tegenstelling tot de procedure die onder de oude wet gold, worden alleen die zaken waarin de regionale toetsingscommissie voor euthanasie tot het oordeel is gekomen dat de arts niet in overeenstemming met de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld, ter beoordeling gezonden aan het College van procureurs-generaal. In alle gevallen waarin de toetsingscommissie oordeelt dat de arts zorgvuldig heeft gehandeld, geldt dat als een eindoordeel, wat betekent dat deze niet (meer) ter kennis worden gebracht aan het openbaar ministerie.
De nieuwe wet heeft betrekking op artsen die levensbeëindiging toepassen èn hiervan melding doen. De in de wet genoemde strafuitsluitingsgronden zijn dus niet van toepassing op artsen die levensbeëindiging toepassen zonder dit te melden en evenmin op euthanasie of hulp bij zelfdoding door niet-medici.
Het gevolg van de wetswijziging is dat het openbaar ministerie, buiten de rol van de officier van justitie bij het geven van verlof tot begraven/verbranden, in beginsel alleen nog betrokken is bij gevallen van euthanasie of hulp bij zelfdoding indien:
- de toetsingscommissie zich niet bevoegd acht een oordeel uit te spreken
- de toetsingscommissie van oordeel is dat de arts niet zorgvuldig heeft gehandeld
- er geen melding is gedaan bij de lijkschouwer en de zaak via een andere weg aan het licht komt (vb. melding door de Inspectie voor de Gezondheidszorg of aangifte door een nabestaande of derde).
O verigens blijft voor de gevallen van actieve levensbeëindiging niet op verzoek de sinds 1 juni 1994 vigerende meldingsprocedure van kracht, die voor de volledigheid in paragraaf 3 kort wordt beschreven."