Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, Stb. 2001, 194;

Iwtr.: 1 april 2002 (Besluit van 15 maart 2002, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, Stb. 2002, 165).


"3. Systematiek van het wetsvoorstel

Zoals gezegd strekt het wetsvoorstel ertoe te regelen, dat de arts die op zorgvuldige wijze euthanasie toepast of hulp bij zelfdoding verleent én dit vervolgens meldt aan de gemeentelijke lijkschouwer, voortaan straffeloos zal zijn. De opneming in het Wetboek van Strafrecht van een bijzondere strafuitsluitingsgrond in artikel 293, tweede lid, en in artikel 294, tweede lid, tweede volzin, laat de strafbaarheid van andere verschijningsvormen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding onverlet. De algemene stelling dat euthanasie en hulp bij zelfdoding niet langer strafbaar zullen zijn, is als zodanig dan ook geen juiste weergave van hetgeen met dit wetsvoorstel wordt beoogd.

De twee voorwaarden voor straffeloosheid van de arts zijn:
1. Hij moet voldoen aan de zorgvuldigheidseisen, welke zijn opgenomen in een afzonderlijke wet, te weten de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding;
2. Hij moet zijn handelen melden aan de gemeentelijke lijkschouwer overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in de Wet op de lijkbezorging.

In dit wetsvoorstel zijn de zorgvuldigheidseisen voor de arts vastgelegd.
Deze zijn in het algemeen af te leiden uit de vaste jurisprudentie ter zake van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, waarop tot dusver steeds het vervolgingsbeleid was gebaseerd. Ingevolge artikel 9 van de al eerder genoemde Regeling regionale toetsingscommissies euthanasie vormen vier van deze criteria sinds 1 november 1998 reeds het uitgangspunt voor de toetsing van gemelde gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding door de regionale toetsingscommissies euthanasie. Aan deze commissies wordt in dit wetsvoorstel voorts een wettelijke basis verschaft. Aldus zal deze wet in de toekomst bepalingen bevatten betreffende instelling en samenstelling van de commissies, hun taken en bevoegdheden en hun werkwijze. De bepalingen terzake komen in grote mate overeen met hetgeen hieromtrent is vastgelegd in de Regeling regionale toetsingscommissies euthanasie.
De wijzigingen die ingevolge het onderhavige wetsvoorstel worden gebracht in de Wet op de lijkbezorging, zijn technisch van aard en vormen een noodzakelijk sluitstuk van de meldingsplicht die bestanddeel vormt van de bijzondere strafuitsluitingsgrond welke is opgenomen in het Wetboek van Strafrecht."

Bron: MvT, TK 1998-1999, 26 691, nr. 3.


Top


OBSERVATIES EN AANBEVELINGEN VAN HET COMITÉ VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS

"Met verwijzing naar de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken die een dezer dagen uitgaat verwoord ik, mede namens de Minister van Justitie, onze reactie op de observaties en aanbevelingen van het Comité voor de rechten van de mens met betrekking tot de onderwerpen euthanasie en medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen.
Het Comité heeft op 9 en 10 juli 2001 de derde Nederlandse Koninkrijksrapportage in het kader van het VN-verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten behandeld."

Bron: BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, TK 2000-2001, 26 691 en 22 588, nr. 42.


Top

MEDISCHE BESLUITVORMING AAN HET EINDE VAN HET LEVEN


"1. Inleiding
Op 27 mei 2003 hebben wij het rapport van het evaluatieonderzoek, getiteld "Medische besluitvorming aan het einde van het leven; de praktijk en de toetsingsprocedure euthanasie", vergezeld van het bijbehorende verslag met aanbevelingen van de begeleidingscommissie en het deelrapport "Het levenseinde in de medische praktijk" van het Centraal Bureau voor de Statistiek, aan de beide Kamers der Staten-Generaal toegezonden.

Met het uitbrengen van dit onderzoek is voldaan aan de toezeggingen die de beide vorige kabinetten verschillende malen hebben gedaan om na verloop van enige jaren sinds het laatste evaluatieonderzoek (aangeboden aan de beide Kamers der Staten-Generaal op 27 november 1996) weer een onderzoekte doen naar de actuele stand van zaken op het gebied van medische beslissingen rond het levenseinde.
Na het uitbrengen van het vorige evaluatieonderzoekzijn, conform de aanbevelingen, verschillende maatregelen genomen.
Op 1 november 1998 zijn de vijf regionale toetsingscommissies euthanasie ingesteld. De commissies gaven aanvankelijk een advies over de vraag of een arts ingeval van euthanasie de zorgvuldigheidseisen in acht had genomen. Het OM betrok dit advies bij de beoordeling van de vraag of tot vervolging moest worden overgegaan. Tot 1 april 2002 hebben de commissies op deze manier gewerkt. Op die datum is de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding in werking getreden.

Op basis van deze wet geldt het oordeel van de toetsingscommissies als het eindoordeel, wanneer de toetsingscommissies menen dat een arts zorgvuldig heeft gehandeld. Na de totstandkoming van de wet hebben het instituut voor Extramuraal Geneeskundig Onderzoek en de afdeling Sociale Geneeskunde van het VU Medisch Centrum, het instituut Maatschappelijke Gezondheidszorg van het Erasmus MC Universitair Medisch Centrum Rotterdam en het Centraal Bureau voor de Statistiek de opdracht gekregen om een onderzoek uit te voeren met de volgende vraagstelling.

"Beantwoordt de toetsingsprocedure voor euthanasie aan het doel en zijn er mogelijkheden voor verbetering op de punten waar ze dat niet doet?"
Daarbij hebben de Ministeries van Justitie en VWS nog een aantal aanvullende vragen gesteld, o.a. ten aanzien van klaar-met-leven en palliatieve zorg. Om deze vragen zo goed mogelijk te onderzoeken zijn de onderzoekers gekomen tot een onderzoekbestaande uit vier deelonderzoeken.
Allereerst een sterfgevallenonderzoek, bestaande uit een steekproef uit alle sterfgevallen in Nederland gedurende een bepaalde periode.
Uit een nader te omschrijven populatie van behandelende artsen is een steekproef genomen. Deze artsen zijn benaderd met de vraag of zij mee wilden werken aan een mondeling interview.
Voor het derde deelonderzoek is een steekproef getrokken uit de meldingen bij de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie gedurende een bepaalde periode. Zowel de meldende artsen als de nabestaanden zijn over deze gevallen geïnterviewd.
Het vierde deelonderzoek bestond uit een publieksonderzoek, bestaande uit een steekproef uit de algemene bevolking. Het onderzoeksjaar in dit onderzoek was 2001 en daarom is alleen de werkwijze van de regionale toetsingscommissies euthanasie in de periode voorafgaande aan de inwerkingtreding van de wet beoordeeld. De ervaringen met de uitvoering van de huidige wet zijn wel zoveel mogelijk meegenomen in de resultaten van het onderzoek."

Bron: STANDPUNT VAN HET KABINET NAAR AANLEIDING VAN DE EVALUATIE VAN DE STAND VAN ZAKEN INZAKE EUTHANASIE EN ANDERE MEDISCHE BESLISSINGEN ROND HET LEVENSEINDE, TK 2003-2004, 29 200 XVI, nr. 268.


Terug naar: Wet op de lijkbezorging.

Top
Terug naar: Wetgeving.
Latest update: 29 oktober 2006.
Home