Wet op de lijkbezorging Wet van 7 maart 1991, houdende nieuwe bepalingen inzake de lijkbezorging, Stb. 1991, 30;

Iwtr: 01-07-1991, Stb. 1991, 235;


gewijzigd bij:

Wet van 12 april 2001, houdende toetsing van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en wijziging van het Wetboek van Strafrecht en van de Wet op de lijkbezorging (Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding) [zie aldaar], Stb. 2001, 194;
Iwtr.: op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (Artikel 23).

en bij:


Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Wet op de lijkbezorging (verruiming mogelijkheden asbestemming), Stb. 1998, 198;

Iwtr.: de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst (Artikel III).

MvT: TK 1996-1997, 25 272 3.

Top



Toelichting bij: Verruiming van mogelijkheden asbestemming


"Ontwikkelingen en onderwerpen op het terrein van de lijkbezorging
Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de lijkbezorging (verruiming mogelijkheden asbestemming; kamerstuk 25 272) heb ik de Kamer toegezegd een overzicht te geven van de ontwikkelingen en onderwerpen die momenteel aan de orde zijn op het terrein van de lijkbezorging. Tevens heb ik toegezegd na te gaan welke wensen en vragen er zijn op dit terrein, met name vanuit de minderheidsgroeperingen in ons land. Hiertoe heb ik in het LAO-overleg van 10 september 1997 de zelforganisaties gevraagd na te gaan welke wensen en vragen er leven bij hun achterbannen vanuit cultureel en religieus oogpunt.

Deze notitie valt uiteen in twee delen:

enerzijds de beschrijving van de stand van zaken rond verschillende actuele onderwerpen op het terrein van de lijkbezorging te weten, wijziging van wet- en regelgeving in verband met de verruiming van de mogelijkheden van de asbestemming, invoering van een nieuw lijkomhulselbesluit, thanatopraxie, onvolledige lijkontbinding, wetsevaluatie (mede in verband met grafrusttermijn) en forensische geneeskunde;
anderzijds een overzicht van de wensen en vragen die bij een aantal minderheidsgroeperingen leven op het gebied van de lijkbezorging.

Deze informatie is verkregen via de inspraakorganen Stichting Inspraakorgaan Turken in Nederland (IOT), Stichting Surinaams Inspraakorgaan (SIO) en Stichting Samenwerkingsverband van Marokkanen en Tunesiërs (SMT). Deze zelforganisaties hebben gehoor gegeven aan mijn verzoek om de bij hun groeperingen levende vragen en wensen te inventariseren."

Bron: Notitie van de minister van BZK betreffende de lijkbezorging, TK 1997–1998, 25 864, nr. 1 2.


Top


EVALUATIE VAN DE WET OP DE LIJKBEZORGING


1. INLEIDING


In september 1997 vond de behandeling in de Tweede Kamer plaats van een voorstel tot wijziging van de Wet op de lijkbezorging (Wlb) in verband met de verruiming van de mogelijkheden voor asbestemming. Tijdens de behandeling van dit wetsvoorstel heeft de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken aan de Tweede Kamer de toezegging gedaan een evaluatie van de Wlb te laten plaatsvinden. Als uitgangspunt van deze evaluatie werd genoemd het in een breder verband plaatsen van allerhande ontwikkelingen op het gebied van de lijkbezorging. Op 28 januari 1998 is aan de Tweede Kamer der Staten Generaal een notitie gezonden waarin reeds nader werd ingegaan op een aantal ontwikkelingen en onderwerpen op het terrein van de lijkbezorging waaronder de evaluatie (notitie betreffende de lijkbezorging, kamerstukken II, 1997/98, 25 864, nr. 1).

Bij brief van 14 mei 1998 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de verschillende organisaties die werkzaam zijn op het terrein van de lijkbezorging geďnformeerd over zijn voornemen de Wlb te evalueren. Deze organisaties is gevraagd om kritiek en wensen aan te geven met betrekking tot de Wlb. In de zomer van 1999 zijn de laatste reacties binnengekomen.

De volgende organisaties hebben gehoor gegeven aan de uitnodiging:

de Facultatieve, de Landelijke organisatie van Begraafplaatsen (LOB), het Landelijk Samenwerkingsverband van Uitvaartinstellingen zonder Winstoogmerk (LSUW), het Mortuarium Schiphol bv., de Vereniging van Kerkvoogdijen in de Nederlands Hervormde kerk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Het Platform Uitvaartwezen namens: de Landelijke Vereniging voor Crematoria (LVC), de Vereniging van Natura Uitvaartverzekeraars (VNaV), de Vereniging Ondernemingen in de Uitvaartzorg (VOU), de Vereniging Stadswerk Nederland, de Vereniging van Toeleveranciers (VTU), de Nederlandse Vereniging van erkende Uitvaartondernemingen (NUVU).

Ik wil hierbij de betrokken organisaties bedanken die gebruik hebben gemaakt van de uitnodiging om kritiek en wensen op de Wlb kenbaar te maken.

Voorafgaand aan de bespreking van de reacties van de betrokken organisaties wil ik graag opmerken dat uit deze reacties de bestaande indruk dat de Wlb over het geheel genomen goed functioneert, wordt bevestigd. De kritiek en wensen beperken zich voor het merendeel tot een aantal technische onderwerpen. Een fundamentele wijziging van de Wlb is dan ook niet aan de orde.”

Bron: BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES, 11 december 2000, TK 2000–2001, 25 864, nr. 3.


Top


Voortgang evaluatie Wet op de lijkbezorging

“In 1998 kregen diverse organisaties het verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om de Wet op de lijkbezorging in eigen kring te evalueren en hem daarover te informeren. In zijn brief van 11 december 2000 (Kamerstukken II, 2000/01, 25 864, nr. 3) stelde de toenmalige minister van BZK uw Kamer op de hoogte van zijn commentaar op de inbreng van genoemde organisaties. Het beeld was, dat de huidige wet op hoofdlijnen voldoet en dat fundamentele herziening niet nodig is. Naar mijn waarneming geldt dit nog steeds. Dat neemt niet weg dat op onderdelen om diverse redenen aanpassing gewenst is. De resultaten van de evaluatie bieden daarvoor voldoende aanknopingspunten, zoals ook reeds geconcludeerd in genoemde brief. Ook houd ik rekening met nieuwe inzichten die de afgelopen jaren zijn opgedaan. Het streven is om het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de lijkbezorging in de eerste helft van 2005 aan de Tweede Kamer te doen aanbieden.”

Bron: BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES, 22 november 2004, TK 2004–2005, 25 864, nr. 4.

Top


Voorstel van wet van het lid Arib houdende wijziging van de Wet op de lijkbezorging, TK 2005–2006, 30 564, nr. 2.


“INLEIDING

Al in 1993 concludeerde de Inspectie voor de Gezondheidszorg in haar rapportage «gerechtelijke geneeskunde beschouwd» dat het artsen ontbreek aan deskundigheid op het gebied van forensische geneeskunde en dat het onontkoombaar is dat er ernstige fouten worden gemaakt.1

In 1998 verscheen onderzoek naar aanleiding van de aanbevelingen die door de «Commissie Hermanns» zijn gedaan in het rapport Standpunt Advies- en Meldpunten Kindermishandeling. In dit onderzoek werd al geconstateerd dat de positie van de huisarts zeer moeilijk is en apart moet worden benoemd.2, 3

In 1999 gaven de ministeries van Justitie en van VWS gezamenlijk opdracht aan adviesbureau van Montfoort, voor het uitvoeren van vervolgonderzoek naar de wijze waarop in de praktijk in ons land wordt omgegaan met vermoede gevallen van niet-natuurlijke dood van minderjarigen. Het vervolgonderzoek moest naast de beschrijving van de huidige stand van zaken, ook tot een protocol leiden. Dit protocol moest zich richten op een gezamenlijke, multidisciplinaire afhandeling door de betrokken professionele sectoren: de medische sector (huisarts, kinderarts, geneeskundige inspectie), forensisch geneeskundigen, het Advies en Meldpunt Kindermishandeling/Bureau Vertrouwensartsen, de politie, het Openbaar Ministerie, kinderbeschermers (raadsonderzoekers, gezinsvoogden) en hulpverleners in de jeugd- en volwassenenzorg. Een gezamenlijke evaluatie van gevallen zou van de afhandeling deel moeten uitmaken. In 2000 is het resultaat van dit onderzoek genaamd «Richtlijnen na het overlijden van minderjarigen» aan de Kamer gestuurd.

Uit het rapport «Richtlijnen na het overlijden van minderjarigen» bleek dat in Nederland jaarlijks omstreeks 1800 minderjarigen overlijden4, 5. In een deel van deze gevallen was het overlijden te voorkomen geweest. Vaak is de doodsoorzaak bij het overlijden van minderjarigen wel bekend, maar het is veel moeilijker om aan te geven welke risicofactoren tot het overlijden hebben geleid, of wat eventueel gedaan had kunnen worden om het overlijden te voorkomen. Soms blijft de oorzaak van het overlijden onduidelijk.

Met name bij kindermishandeling en verwaarlozing is een precieze oorzaak vaak lastig aan te geven. Het komt in Nederland voor, dat kinderen die zijn overleden ten gevolge van mishandeling of, verwaarlozing of door onachtzaamheid (bijvoorbeeld onjuiste medische handelingen), worden begraven of gecremeerd zonder dat er een onderzoek is gedaan naar de exacte toedracht en omstandigheden van het overlijden. In deze gevallen is het strafrecht niet toegepast terwijl dat wél had moeten gebeuren.

Uit twee onderzoeken kan de conclusie worden getrokken dat in Nederland minderjarigen kunnen overlijden zonder dat er een (gedegen) onderzoek of strafvervolging plaatsvindt.

Het eerste onderzoek uit 1998 betrof een onderzoek naar het melden van (vermoedens) van een niet-natuurlijke dood of onduidelijke doodsoorzaak door huisartsen.3

Dit onderzoek was aanleiding voor de ministeries van Justitie en van VWS om gezamenlijk opdracht aan adviesbureau van Montfoort te geven, voor het uitvoeren van vervolgonderzoek naar de wijze waarop in de praktijk wordt omgegaan met vermoede gevallen van niet-natuurlijke dood van minderjarigen. Het resultaat van dit onderzoek «Richtlijnen na het overlijden van minderjarigen»verscheen in december 2000.4

In april 2001 heb ik tijdens de behandeling van de voortgangsrapportage beleidskader Jeugdzorg 2001–2004 een door de kamer gesteunde motie ingediend met het verzoek met een interdepartementaal plan van aanpak tegen kindermishandeling en seksueel misbruik bij kinderen te komen waarin concrete maatregelen zouden zijn opgenomen ten aanzien van preventie en hulpverlening. In september 2002 heb ik schriftelijke vragen gesteld aan de minister van Justitie en de staatsecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De bewindslieden antwoordden dat het voorstel van de PvdA-fractie om bij alle overlijdensgevallen van minderjarigen een forensisch arts in te schakelen betrokken zou worden bij de overwegingen naar aanleiding van het rapport «Richtlijnen bij het overlijden van minderjarigen». Een nader regeringsstandpunt, gebaseerd op adviezen van een groot aantal instanties en beroepsgroepen was toen in voorbereiding.

Dit standpunt en een voorstel voor concrete maatregelen werd aangekondigd voor het jaar 2002.5

In de antwoorden op deze vragen noemt de minister van Justitie een artikel in Medisch Contact waarin wordt beschreven dat op een in 1999 gehouden symposium voor de afdeling spoedeisende hulp van de VU is gebleken dat 75 procent van de artsen in onvoldoende mate de sporen van geweld en mishandeling herkent.6

In 2004 schrijft de minister van Justitie in antwoord op schriftelijke vragen van de Partij van de Arbeid dat het probleem rond de deskundigheid van lijkschouwers is opgepakt en dat voorstellen worden voorbereid door de ministeries van Justitie, van Binnenlandse Zaken en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.7
In schriftelijke vragen over de rechtszaak inzake Lucy B. schrijft de minister van Justitie in mei 2004 dat het kabinet met een voorstel voor een nieuwe regeling zal komen waarbij in alle gevallen van onverklaard overlijden een deskundigenprocedure opheldering moet bieden. Onder het begrip «onverklaard overlijden» worden alle gevallen begrepen die niet onmiddellijk en evident als «natuurlijk» kunnen worden gekwalificeerd. In die gevallen volgt dan een nader onderzoek.8

In februari 2006 verscheen het onderzoek «De lijkschouw bij plotselinge dood».9 De resultaten van dit onderzoek onder 217 artsen werden gepresenteerd in een uitzending van het programma Netwerk.10
Onderzoekers U. Reinders en C. Das laten in dit onderzoek zien dat veertig procent van de artsen zegt onvoldoende tot helemaal niet toegerust te zijn om een lijkschouw te verrichten. Maar liefst tachtig procent van de ondervraagde artsen geeft aan dat eventuele letsels onvoldoende herkend en geďnterpreteerd kunnen worden. Elf procent van de huisartsen zegt een verklaring van natuurlijke dood af gegeven te hebben terwijl er toch enige twijfel was over de doodsoorzaak.

De onderzoekers concluderen dat de kwaliteit van het beoordelen van letsels ten gevolge van mishandeling vaak te wensen over laat. Zij vrezen dat artsen gevallen waarin sprake is van het opzettelijk doden van iemand, niet herkennen: «Het gaat dikwijls om ongevallen met dodelijke afloop. De toedracht van het ongeval is echter vaak onduidelijk. Daardoor blijft het onbekend of er sprake was van opzet of van een daadwerkelijk ongeval.»

Na het presenteren van «Richtlijnen na het overlijden van minderjarigen» zijn verschillende publicaties verschenen over dit onderwerp waaruit blijkt dat wetgeving ten aanzien van het omgaan met vermoede gevallen van niet-natuurlijke dood noodzakelijk is. Ondanks toezeggingen van het kabinet met een wetswijziging te komen op de Wet op de Lijkbezorging is tot nu toe niets ondernomen.

6 april 2006 vond een kort debatje plaats in de Tweede Kamer naar aanleiding van het wetsvoorstel Wijziging van de wet op de Lijkbezorging, aangevraagd door het CDA. Tijdens dit debat werd geconstateerd dat er maar liefst al zeven jaar wordt gesproken over herziening van de wet.
Er werd aangedrongen op haast vanwege de noodzaak een aantal punten te verduidelijken. Hierbij werden onterechte verklaringen van natuurlijke dood, begrafenis binnen 24 uur en grafrusttermijnen genoemd. Er is een motie ingediend waarin een voorstel tot wetswijziging wordt gevraagd vóór het zomerreces. De minister van Binnenlandse Zaken heeft aangegeven dat deze wetswijziging geen prioriteit had, maar dat op verzoek van de Kamer nu naar een hogere versnelling is overgeschakeld.
Pas toen werd duidelijk dat onderzoek naar de omstandigheden en oorzaken van het overlijden van kinderen en de positie van de gemeentelijk lijkschouwer daarbij veel discussie oproepen vanwege medische en ethische aspecten. De minister verwacht dat adviezen snel zullen gegeven en dat het wetsvoorstel «binnen afzienbare tijd» naar de raad van State kan worden gezonden. De minister heeft beloofd dat hij al het mogelijke zal doen om het wetsvoorstel nog voor de zomer naar de Kamer te zenden.11 De minister heeft geen duidelijke toezegging gedaan over het tijdstip waarop de wetswijziging naar de kamer kan worden gezonden. Het wijzigingsvoorstel van de minister zal verder meerdere punten bevatten, zoals ook gevraagd door leden van andere fracties. Het in Netwerk gepresenteerde onderzoek benadrukt nog eens dat een heldere regeling noodzakelijk is om te voorkomen dat minderjarigen een niet-natuurlijke dood sterven, zonder dat dat bekend wordt. Ik wil voorkomen dat door wat voor omstandigheden en oorzaken dan ook verdere vertraging optreedt. Het overlijden van kinderen aan een niet-natuurlijke oorzaak, zonder dat sprake is geweest van onderzoek naar de exacte toedracht en omstandigheden van het overlijden, vind ik dermate belangrijk dat aparte behandeling van dit onderwerp mijns inziens noodzakelijk en gerechtvaardigd is. Dat is de reden dat ik er voor gekozen heb nu niet langer te wachten en toch zelf met een wetsvoorstel te komen dat wellicht minder breed en veel omvattend is dan datgene waarmee de regering denkt te gaan komen, maar waarin in ieder geval snel wordt geregeld dat kinderen die zijn overleden door een niet natuurlijke oorzaak recht wordt gedaan.”

Bron: MvT, TK 2005–2006, 30 564, nr. 3.

Top
Terug naar: Wetgeving.
Latest update: 29 oktober 2006.
Home