Wet orgaandonatie Wet van 24 mei 1996, houdende regelen omtrent het ter beschikking stellen van organen, Stb. 1996, 370,
(Wet op de orgaandonatie);


Iwtr.: gefaseerd (Besluit van 26 januari 1998, houdende inwerkingtreding van de Wet op de orgaandonatie, Stb. 1998, 42).


Gewijzigd bij:


Top


Wet van 19 november 1997, houdende wijziging van de Wet op de orgaandonatie, Stb. 1997, 600;

Iwtr.: 1 februari 1998 (Besluit van 26 januari 1998, houdende inwerkingtreding van de Wet op de orgaandonatie, Stb. 1998, 42).


Top


Wet van 23 juni 2006 tot wijziging van de Wet op de orgaandonatie (evaluatie), Stb. 2006, 311;

Iwtr.: 1 oktober 2006 (Besluit van 4 juli 2006, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 23 juni 2006 tot wijziging van de Wet op de orgaandonatie (evaluatie), (Stb. 311), Stb. 2006, 341).


Top


"Hoofdlijn wijzigingsvoorstel

Zoals hiervoor al is aangegeven, zijn aanpassingen van de WOD gewenst om zodoende de doelstellingen van de wet beter te realiseren. Een doelstelling van de Wet op de orgaandonatie is het bevorderen van het aanbod van geschikte donororganen. Het cruciale onderdeel van de procedure die leidt tot het beschikbaar komen van postmortale donororganen, is dat een potentiële orgaandonor tijdig als zodanig herkend wordt door de arts en dat deze arts vervolgens daarnaar handelt. Door middel van dit wetsvoorstel worden nieuwe verplichtingen opgenomen die juist deze fase van de donatieprocedure strikter regelen. Het wetsvoorstel bevat verschillende nieuwe bepalingen waarmee verplichtingen worden opgenomen, zoals de verplichting om bij ieder overlijdensgeval het register te raadplegen, tenzij het reeds duidelijk is dat de betreffende persoon medisch gezien niet in aanmerking komt als donor en het verplicht invullen van een formulier bij overlijden in een ziekenhuis. Door middel van het formulier, dat bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld zal worden, wordt verslag gedaan van de wijze waarop de regels van de WOD en het ziekenhuisprotocol zijn nageleefd. Door deze aanscherpingen zullen minder potentiële donororganen nodeloos verloren gaan.

De belangrijkste reden om deze nieuwe verplichtingen op te nemen is dat verwacht wordt dat zo een positieve bijdrage geleverd wordt aan de herkenning van potentiële orgaandonoren. Daarnaast is een belangrijk voordeel dat door middel van het formulier ook essentiële informatie over het werkelijke donorpotentieel beschikbaar komt. Tenslotte maakt de verslaglegging op dit donatieformulier beter toezicht mogelijk. De overige wijzigingen hebben vooral ten doel om diegenen die professioneel bij orgaandonatie betrokken zijn, de medische beroepsbeoefenaren, beter te ondersteunen en te faciliteren in de uitvoeringspraktijk teneinde het aanbod van organen te bevorderen. Waar diverse taken totnogtoe in ieder geval onder verantwoordelijkheid van een arts moeten worden uitgevoerd en in de praktijk ook meestal door deze zelf worden verricht, vermeldt het wetsvoorstel nu expliciet de mogelijkheid om op instellingsniveau die taken aan een andere persoon te delegeren. Natuurlijk geldt dit alleen voor zover het niet-medische taken betreft die ook goed door een ander dan een arts gedaan kunnen worden zoals bijvoorbeeld door een donatiefunctionaris of transplantatiecoördinator. Voorbeelden daarvan zijn het raadplegen van het Donorregister en het leggen van contact met het orgaancentrum.

Met dit wetsvoorstel wordt mogelijk dat in het ziekenhuisprotocol voortaan functionarissen aangewezen worden die in voorkomende gevallen deze taken uitvoeren, zodat artsen daarvan geheel of gedeeltelijk ontlast kunnen worden. Uiteraard moet de behandelend arts voorafgaand aan het raadplegen van het Donorregister wel zélf beoordelen of de betrokkene medisch gezien als donor geschikt zou zijn. Activiteiten die te maken hebben met het in gang zetten van een donatieprocedure kunnen zodoende nooit gestart worden zonder dat de behandelend arts hiervoor groen licht geeft. De uitvoering van de wet kan daardoor flexibeler plaatsvinden, terwijl toch duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is. Ook worden met de voorliggende wijzigingsvoorstellen het moment waarop en de volgorde waarin handelingen in de donatieprocedure uitgevoerd mogen worden, duidelijker vastgelegd. Geregeld wordt nu dat het Donorregister al geraadpleegd mag worden als een persoon naar redelijke verwachting binnen afzienbare tijd zal overlijden. Ook is in het wetsvoorstel ter verduidelijking aangegeven welke handelingen er, als er een positieve wil in het register is aangetroffen, al vóór het intreden van de dood verricht mogen worden.

Deze nadere omschrijvingen leiden ertoe dat de onzekerheden worden weggenomen die thans in de praktijk worden gevoeld, terwijl toch een zorgvuldige gang van zaken gewaarborgd is. Vervolgens wordt met het wetsvoorstel in artikel 20, derde lid, verduidelijkt dat als een overledene zélf toestemming heeft gegeven voor orgaandonatie er geen toestemming van anderen meer is vereist. Uitgangspunt van de wet is immers dat eenieder in beginsel zélf beschikkingsbevoegd is ten aanzien van orgaandonatie na zijn overlijden, en dat de nabestaanden daarover geen eigen rechten hebben. Buiten de situatie dat de overledene de nabestaanden uitdrukkelijk heeft aangewezen om te beslissen over de orgaandonatie, kunnen slechts in geval van minderjarigheid, wilsonbekwaamheid of het ontbreken van een wilsverklaring, de nabestaanden in de plaats van de potentiële donor treden bij de beslissing over het al dan niet optreden als orgaandonor. In het geval wél een geldige positieve wilsverklaring is afgegeven hoeft aan de nabestaanden dan dus ook geen toestemming te worden gevraagd en als er geen nabestaanden zijn, is dat ook geen belemmering voor het doorgaan van de donatieprocedure. Uiteraard zullen wel de naasten van de overledene indien aanwezig of onmiddellijk bereikbaar op de hoogte moeten worden gesteld.

Zou daarbij blijken van bezwaren, dan kan op grond daarvan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen van donatie worden afgezien. Een andere situatie betreft het geval waarin de overledene geen toestemming of bezwaar voor donatie heeft laten registreren, of door middel van de registratie zijn nabestaanden of een specifiek persoon heeft aangewezen als beslisser(s). Dan moet er een gesprek met de in artikel 11 bedoelde perso(o)n(en) worden gevoerd om de ingevolge het wetsysteem vereiste toestemming voor donatie te verkrijgen. Zonder deze toestemming is er in deze situatie geen donatie mogelijk. Het ontbreken van een (positieve) wilsverklaring van de stervende zelf blijkt tot dusverre door degenen die dan mogen beslissen vaak te worden uitgelegd als de wens van de overledene om geen toestemming voor orgaandonatie te hebben willen geven. Het ontbreken van een wilsverklaring betekent formeel echter niet meer en niet minder dan dat de stervende noch toestemming heeft gegeven, noch bezwaar heeft gemaakt. Het antwoord op de toestemmingsvraag die in deze situatie aan de in artikel 11 bedoelde perso(o)n(en) of aangewezen beslisser moet worden gesteld, is dus nog onbekend.

In de praktijk wordt, in weerwil van de positieve wilsverklaring van de overledene zélf, nog te vaak aan de nabestaanden toestemming voor orgaandonatie gevraagd of worden de door hen ingebrachte bezwaren gehonoreerd. Zoals hiervoor ook reeds aangegeven strookt dat niet met het uitgangspunt van de wet omtrent de uitsluitende beschikkingsbevoegdheid van de donor en schaadt dit bovendien de zwaarwegende belangen van de potentiële ontvangers van diens organen.

Het wetsvoorstel maakt het onderscheid duidelijk tussen de situatie waarin wel en waarin geen geldige wilsverklaring aanwezig is. Tenslotte wordt het mogelijk om nieuwe ingezeten aan te schrijven ten behoeve van registratie in het Donorregister. Eveneens wordt het mogelijk om mensen die nog niet eerder een aan hen toegezonden registratieformulier hebben geretourneerd, opnieuw te benaderen."

Bron: MvT, TK 2003-2004, 29 494, nr. 3.


Top


Evaluatie


Stand van zaken

"In uw brief van 16 maart jongstleden verzocht u om toezending van een brief over de stand van zaken rond orgaandonatie. Graag voldoe ik aan dit verzoek.
Zoals ook in de voorgaande brieven over de stand van zaken zal ik aandacht besteden aan:
- Verhoging van bewustwording orgaandonatie en registratiegraad
- Optimaal gebruik van het donorpotentieel
- Nieuwe bronnen
- Wetsevaluatie en cijfers."

Bron: BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 28 april 2006, TK 2005-2006, 28 140, nr. 31.


Top


Standpunt van de regering

"Mede namens het Kabinet bied ik u thans het standpunt van de regering over onderhavige evaluatie aan. In onze beleidskeuzes staat centraal wat de verwachte effecten van de maatregelen zijn op het beschikbaar komen van donororganen. Daarnaast heb ik uiteraard andere belangen meegewogen, zoals het zelfbeschikkingsrecht van de donor, de positie van de nabestaanden, de uitvoerbaarheid en doelmatigheid van de maatregelen. Daarbij wil ik voor alle duidelijkheid stellen dat het Kabinet geen principiële voorkeur heeft voor een bepaald beslissysteem.
De indeling van deze brief is als volgt.
1. De resultaten van de evaluatie van ZonMw ten aanzien van de mogelijke effecten van een wijziging van het beslissysteem en de daaruit te trekken conclusies.
2. Het standpunt van het Kabinet over de vraag of er gronden zijn om het beslissysteem te wijzigen om zo meer donororganen te krijgen.
3. Het voorstel van het Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziekte preventie (NIGZ) voor een actief registratiesysteem.
4. Huidig beleid en voorstellen voor aanvullende maatregelen op het huidige beleid.
5. Samenvatting en conclusies
6. In bijlage 1 wordt een overzicht gegeven van de maatregelen die recent zijn genomen om het aanbod van geschikte organen te bevorderen.
7. In bijlage 2 staat het standpunt van het Kabinet over elk van de aanbevelingen van ZonMw."

Bron: BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 18 juni 2004, TK 2003-2004, 28 140, nr. 16.


Top


Standpunt van de minister

"1. Inleiding en samenvatting

De WOD functioneert nu drie jaar en de resultaten zijn teleurstellend. Dat blijkt ook uit de evaluatie van ZonMw. Weliswaar voldoet het aantal registraties in het Donorregister aan de verwachtingen en is het aantal weefseldonaties toegenomen, maar het effect van het gebruik van het Donorregister valt tegen. De inspanningen van alle betrokkenen in de ziekenhuizen en de publieksvoorlichting hebben totnogtoe niet geleid tot een groter aantal orgaandonaties. De wachtlijsten voor orgaantransplantaties zijn helaas nog steeds niet opgelost. Deze trend heb ik in een vroege fase onderkend en met de Tweede Kamer besproken. Dit heeft geleid heeft tot het plan van aanpak orgaandonatie van april 2000. Dat wordt thans voortvarend uitgevoerd. De eerste resultaten van deze aangescherpte aanpak - het inzetten van speciale donatiefunctionarissen in ziekenhuizen en het experiment met een herinneringsmailing van het Donorregister - zijn hoopgevend. Ik heb dan ook besloten langs deze weg verder te gaan. De voorbereidingen voor een landelijke aanpak op beide gebieden zijn inmiddels gestart, zodat deze in 2003 tot volle uitvoering zal komen.
Dit is niet genoeg. Ik zal de voorlichting aanzienlijk intensiveren. De voorlichting moet in het bijzonder ook gericht zijn op de nabestaanden van potentiële donoren en moet het levensreddende belang van orgaandonatie voor andere patiënten benadrukken. Uit de evaluatie van ZonMw blijkt namelijk dat het aantal weigeringen door nabestaanden, net als voor invoering van de WOD, nog steeds erg hoog is. In het huidige wettelijk vastgelegde beslissysteem hebben nabestaanden het laatste woord, tenzij de overledene zelf anders heeft besloten. In de voorlichting zal de positie van de nabestaanden benadrukt worden. Daarnaast kan de begeleiding van nabestaanden in de ziekenhuizen verder verbeterd worden door de inzet van donatiefunctionarissen die de arts ondersteunen bij het voeren van de gesprekken met nabestaanden.

Een tweede groep waarop de voorlichting meer gericht moet worden betreft de allochtonen. De registratiegraad en donatiebereidheid in gebieden waar overwegend allochtonen wonen is relatief laag. Dat heeft tot gevolg dat er voor allochtone patiënten medisch gezien relatief weinig geschikte donororganen beschikbaar zijn. Ook moet de wetgeving worden aangescherpt. De wet blijkt - afgezien van het beslissysteem - in de praktijk een aantal onnodige belemmeringen op te leveren. Dat geldt met name voor het toestemmingstraject: het moet duidelijker zijn op welk moment het Donorregister geraadpleegd mag worden en wie er mag raadplegen. Ook moet de juiste volgorde van de toestemmingsprocedure nadrukkelijk benoemd worden: eerst het Donorregister raadplegen, daarna gesprek voeren met de nabestaanden.

Verder moet de wetgeving worden gewijzigd om een landelijke herinneringsmailing mogelijk te maken. De benodigde aanpassingen van de regelgeving zijn inmiddels ter hand genomen.
Over twee jaar volgt de tweede evaluatie van de WOD. Ik zal opnieuw ZonMw opdracht geven die evaluatie uit te voeren. Het is helaas niet uitgesloten dat de nu in gang gezette intensieve aanpak niet tot werkelijke verbeteringen leidt. Dan blijft nog een optie over: aanpassing van het beslissysteem. Ik hoop niet dat zo'n wetswijziging nodig zal blijken te zijn, onder andere omdat, zoals ook blijkt uit de ervaring in andere landen, we van een ander beslissysteem alléén niet te veel mogen verwachten. Het aanbod van donororganen is ook van andere factoren afhankelijk. Maar om onverhoopt over twee jaar geen tijd te verliezen, heb ik inmiddels opdracht gegeven om een aantal varianten voor een ander beslissysteem voor te bereiden.
Samenvattend bevat mijn aanpak de volgende elementen:
1. uitbreiding van het aantal donatiefunctionarissen in de ziekenhuizen om het aantal donatieprocedures te vergroten (gereed 2003 en daarna doorlopend);
2. een regionaal gefaseerde herinneringsmailing aan de nietgeregistreerde bevolking van 18 jaar en ouder om het aantal registraties te vergroten (start eind 2002, gereed 2004);
3. intensivering van de voorlichting, met name gericht op de donatiebereidheid van nabestaanden en allochtonen (start 2002, doorlopend);
4. wetswijziging gericht op het wegnemen van een aantal praktische belemmeringen (start 2002);
5. evaluatie (start 2002, gereed eind 2003);
6. voorbereiden van een wijziging van het beslissysteem (start 2002)."

Bron: BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 21 februari 2002, TK 2001-2002, 28 140, nr. 3.


Top


"NIEUWE WEGEN NAAR ORGAANDONATIE"

Bij brief van 4 juli jongstleden (Niet-dossierstuk 2002-2003, vws0300864, Tweede Kamer) heeft ondergetekende u het advies "NIEUWE WEGEN NAAR ORGAANDONATIE" toegezonden dat de Gezondheidsraad heeft uitgebracht in antwoord op een verzoek uit 1999 van de toenmalige Minister van VWS.

Deze heeft de raad toen in het bijzonder verzocht om te rapporteren over ontwikkelingen op het gebied van orgaantransplantatie die van wezenlijk belang zouden kunnen zijn voor de verdere ondersteuning en uitbouw van het Nederlandse transplantatieprogramma.
Daarbij zou moeten worden gedacht aan zowel transplantatie van bij leven te doneren organen, als aan transplantatie van organen die ter beschikking kunnen komen bij "non-heartbeating" (NHB-)donatie, dat wil zeggen postmortale donatie door patiënten die zijn overleden na een onomkeerbare adem- en circulatiestilstand.

In vervolg op het Algemeen Overleg over orgaandonatie dat februari 2002 met de vaste Commissie voor VWS heeft plaatsgehad naar aanleiding van het rapport van Zon/Mw over de eerste evaluatie van de Wet op de orgaandonatie (WOD), heeft de toenmalige Minister vervolgens aan de Gezondheidsraad een aanvullend verzoek om advies gedaan.
De vaste Commissie had naar voren gebracht dat het in de WOD opgenomen criterium inzake de bloed- en weefselovereenkomst, in de praktijk tot een zodanige toewijzing en transport van een orgaan zou leiden, dat het transport mogelijk langer dan nodig duurt en zo wellicht ook de kwaliteit van het orgaan in ongunstige zin beïnvloedt.

Aan de raad is derhalve in de aanvullende adviesaanvraag verzocht eventueel aan te geven in welke zin de criteria voor toewijzing van artikel 18, tweede lid, van de WOD naar de mening van de raad aanpassing zouden behoeven.

Bron: BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 15 oktober 2003, TK 2003-2004, 28 140, nr. 13.


Top
Terug naar: Wetgeving.
Latest update: 29 oktober 2006.
Home