Wet van 29 februari 1996, houdende regels ter bevordering van de medezeggenschap van de cliënten van uit collectieve middelen gefinancierde zorgaanbieders op het terrein van de maatschappelijke zorg en gezondheidszorg
(Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen),
Stb. 1996, 204;

Iwtr.: de eerste dag van de tweede kalendermaand na de maand van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.


Gewijzigd bij:


Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 581;

Iwtr.: 1 januari 2002 (Besluit van 10 december 2001, houdende vaststelling van het tijdstip van de inwerkingtreding van de wet van 6 december 2001 tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Stb. 580), van de wet van 6 december 2001 tot aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Stb. 581), het Aanpassingsbesluit herziening burgerlijk procesrecht, de Wet organisatie en bestuur gerechten, de Wet Raad voor de rechtspraak, de Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie, het Besluit College van afgevaardigden, het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen, het Besluit uitoefening rechtspositionele bevoegdheden gerechtsambtenaren en ambtenaren bureau Raad voor de rechtspraak, het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak, het Besluit orde van dienst gerechten en het Besluit beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers, Stb. 2002, 621);


Toelichting
De WMCZ regelt een collectief recht van patiënten op medezeggenschap. De wet voorziet in de instelling van een cliëntenraad en regelt de inspraak en invloed over alle kwesties waarbij hun belang als cliënt in het geding is. De cliëntenraad heeft het recht om advies uit te brengen over besluiten van algemeen belang voor het functioneren van de instelling (fusie, verbouwing, jaarrekening, wijziging in de werkzaamheden etc.); verzwaard adviesrecht inzake beslissingen die direct de cliëntenbelangen raken (kwaliteitsbeleid, klachtenregeling etc.); het recht op informatie en het recht een bindende voordracht te doen voor de benoeming van tenminste een bestuurslid. Verdergaande bevoegdheden van de cliëntenraad zijn op basis van de WMCZ mogelijk.

De wet beoogt de medezeggenschap van cliënten in instellingen te regelen inzake kwesties waarbij het belang van de cliënt in het geding is.


Top


Patiënten/consumentenbeleid
Nota ‘Met zorg kiezen’

1. Inleiding
De (individuele) vragen en behoeften van de zorggebruiker moeten zo veel als mogelijk richtinggevend zijn voor het aanbod van zorg. Dat uitgangspunt vormt al geruime tijd de leidraad voor ons beleid, zowel in de manier waarop wij de inrichting van de zorg als het verzekeringsstelsel (bij)sturen. In het Actieplan «Zorg Verzekerd» dat wij op 6 november 2000 aan de Tweede Kamer hebben gezonden, is aangegeven dat er bij de omvorming van onze gezondheidszorg van een aanbodgericht naar een meer vraaggestuurd stelsel nog belangrijke vooruitgang geboekt kan en moet worden.
Zo’n omvorming van de gezondheidszorg komt niet vanzelf tot stand. Het vraagt om een verschuiving in de rol- en verantwoordelijkheidsverdeling en vergt een bijdrage van alle betrokken partijen. De afgelopen jaren hebben wij al de nodige maatregelen genomen om aanbieders van zorg en zorgverzekeraars te stimuleren meer tegemoet te komen aan de vragen en behoeften van degenen die van zorg gebruik maken. Die maatregelen kozen als aangrijpingspunt veelal het functioneren van instellingen of verzekeraars.
Deze nota beschrijft hoe een vraaggeoriënteerde zorg dichterbij gebracht kan worden door gebruikers van zorg zelf meer instrumenten in handen te geven.

Al geruime tijd vormt het stimuleren en aanspreken van aanbieders van zorg op het vraaggerichter maken van hun aanbod, een herkenbare lijn in het beleid. Dat heeft ook tot veel belangrijke ontwikkelingen geleid. Zo zijn ziekenhuizen hun organisatiestructuur steeds meer gaan «kantelen», zodat niet de indeling in medisch specialismen, maar de gang die een patiënt door het ziekenhuis maakt, organisatorisch uitgangspunt is geworden.

Onder de noemer van zorgvernieuwing is zowel in de care- als in de curesector een veelheid van initiatieven ontwikkeld met als leidende gedachte dat de zorg rond de cliënt georganiseerd moet worden. Veel van die initiatieven zijn inmiddels staande praktijk.
Ketenzorg en Business Process Redesign zijn gevestigde begrippen geworden in de gezondheidszorg. De laatste jaren is in toenemende mate het beleid er op gericht al deze inspanningen in een kader te plaatsen. Zie onder andere de nota’s over de modernisering van de AWBZ en de modernisering van de curatieve zorg.

Zo is het beleid gericht op het voldoende functioneel en flexibel omschrijven van de verzekerde zorg, zodat zorg op maat beter mogelijk wordt. Het is er ook op gericht om de contracteervrijheden van verzekeraars te vergroten en het verzekeringskarakter van de ZFW en AWBZ waar nodig te herstellen.
Een grotere variëteit aan aanbieders wordt expliciet nagestreefd en de mogelijkheden voor persoonsgebonden budgetten (pgb) worden waar mogelijk vergroot.

Al deze maatregelen moeten er toe leiden dat er meer dynamiek en flexibiliteit ontstaat in de zorg. Tegelijkertijd kan dit niet alleen dichterbij gebracht worden door te sturen op de manier waarop verzekeraars en aanbieders zich tot elkaar verhouden. Zorggebruikers kunnen zelf in veel gevallen actief bevorderen dat de zorg nog beter georiënteerd is op hun vragen en behoeften. Dat kunnen ze niet altijd – vaak verkeren ze in een afhankelijke positie –  en niet volledig – ze blijven meestal aangewezen op de professionele deskundigheid van de aanbieders – maar ze kunnen het wel meer dan nu vaak het geval is. Deze nota schetst met behulp van welke instrumenten zorggebruikers beter toegerust kunnen worden om de zorg (nog) beter aan te laten sluiten bij hun vragen en behoeften. Hij is daarmee complementair aan de nota’s over de transformatie van de cure en caresector en de komende nota over het verzekeringsstelsel.”

Bron: TK 2000–2001, 27 807, nr. 2.


Top


Evaluatie van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen

Bij brief (d.d. 13 december 2000, kenmerk GZB/PCZ-2137566) hebben wij u de evaluatie van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen aangeboden. Deze evaluatie is in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verricht en betreft een inventarisatie van de stand van zaken van de naleving en invulling van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen in de praktijk. Het onderzoek is uitgevoerd door het Verweij-Jonker Instituut. Met de toezending van de nota patiënten- en consumentenbeleid (d.d. 11 juni 2001), met als titel «Met zorg kiezen», hebben wij u geïnformeerd dat het standpunt van het Ministerie van VWS op de voorliggende evaluatie zou volgen. Hierbij willen wij aan deze toezegging voldoen.

De Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (WMCZ) is vanaf juni 1996 van kracht. De WMCZ stelt regels ter bevordering van medezeggenschap van cliënten in zorginstellingen op het terrein van maatschappelijke zorg en gezondheidszorg. Door middel van medezeggenschap wordt getracht te bereiken dat bij de zorgverlening in voldoende mate rekening is gehouden met de vragen en behoeften van cliënten. De mate van de betrokkenheid van cliënten bij het zorgproces kan per instelling verschillen. Met name voor cliënten die verblijven in zorginstellingen is medezeggenschap een belangrijk instrument. Met de WMCZ is vastgelegd dat in alle instellingen via een geïnstitutionaliseerde cliëntenvertegenwoordiging de belangen van de cliënten behartigd worden.

De WMCZ verplicht de zorgaanbieder voor elke door hem in stand gehouden instelling een cliëntenraad in te stellen. Hij dient de cliëntenraad te vragen advies uit te brengen over o.a. elk voorgenomen besluit dat de instelling betreft over belangrijke wijzigingen in de organisatie of van werkzaamheden, verhuizing, begroting, het toelatingsbeleid van cliënten en voedingsaangelegenheden van algemene aard. Door deze medezeggenschap wordt getracht te bereiken dat instellingen op het terrein van maatschappelijke zorg en gezondheidszorg in voldoende mate rekening houden met de vragen en behoeften van cliënten.

De WMCZ sluit aan bij de Wet klachtrecht cliënten zorgsector. De wet beoogt ter versterking van de rechtspositie van cliënten een wettelijke basis te geven aan de toenmalige medezeggenschapsregelingen en nieuwe regelingen te entameren in instellingen die er nog geen hebben.

Cliënten kunnen zo nodig zelf de naleving van de wetsbepalingen afdwingen.

De programmacommissie evaluatie regelgeving van ZorgOnderzoek Nederland, onder wiens auspiciën de evaluatie is uitgevoerd, heeft gekozen voor een sectorgewijze inventarisatie, hierdoor kon rekening worden gehouden met de verschillende fasen waarin de uitvoering van de WMCZ in de diverse sectoren verkeert en met eventuele overgangsproblemen.

De vraagstellingen van het evaluatieonderzoek betroffen:
1. In hoeverre heeft de WMCZ aan zijn doel beantwoord?
2. In hoeverre hebben de in de wet gekozen instrumenten en mogelijk andere factoren bijgedragen aan doelbereiking van de WMCZ? Wat is de stand van zaken?
3. Is er sprake van onbedoelde neveneffecten?

De vraagstellingen van het onderzoek zijn via een drietal deelonderzoeken beantwoord, te weten: a) juridische-technische analyse, b) inventarisatie en c) doelbereiking WMCZ.

In het navolgende zal nader worden ingegaan op de conclusies en aanbevelingen van de evaluatie van de WMCZ. Gezien het feit dat de conclusies onzes inziens een aantal belangrijke zaken te berde brengen (zoals de bovenwettelijke regelingen en de kosten van de uitvoering) die niet expliciet in de aanbevelingen terug komen, zullen we al bij een aantal conclusies ook onze standpunten en aanvullende activiteiten verwoorden. Bij het innemen van een standpunt op de evaluatie WMCZ is tevens meegenomen de reacties die we van verschillende organisaties hebben mogen ontvangen, te weten: Landelijke Organisatie Cliëntenraden (LOC), Landelijke patiënten- en bewonersraden in de GGZ (LPR), Landelijke Steunpunt Cliëntenraden Voozieningscentra Gehandicapten (LSR), Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF), Stichting Raad op Maat, Stichting VraagRaak, Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) en Arcares.”

Bron: BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 11 december 2001, TK 2001–2002, 28 000 XVI, nr. 78.


Top


Kabinetsstandpunt op het advies 'Cliëntenperspectief bij zorginstellingen en professionals' van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ)

“In april 2002 heeft de minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) gevraagd te adviseren over het thema «Cliëntenperspectiefbij zorginstellingen en professionals ». Met de nota «Vraag aan bod» is VWS een weg ingeslagen waarin vraagsturing en vraaggerichte zorg centraal staan. Dit betekent dat de individuele vragen en behoeften van de cliënt zoveel mogelijk richtinggevend zijn voor het aanbod van zorg. Hiermee wordt de dienstverlening aan de cliënt beter en kan de kwaliteit van zorg verhoogd worden.

In de huidige Nederlandse gezondheidszorg zijn de keuzemogelijkheden en daarmee de beïnvloedingsmogelijkheden van cliënten op het gebied van zorg en zorgverzekering nog te beperkt. Het advies van de RVZ benadert deze problematiek aan de hand van de volgende vragen: «Welke informatie of hulpmiddelen heeft de aanbieder nodig om zich in zijn handelen te richten op wat de cliënt wenst en op welke manier kunnen zorgaanbieders worden geprikkeld om zich te richten naar de vragen en informatiebehoefte van de cliënt?» Met deze brief geven wij ons standpunt op het advies.


Kern van het advies
De zorgmarkt vertoont nog kenmerken van een aanbiedersmarkt. Volgens de RVZ is er een groot verschil tussen wat cliënten willen en wat professionals en instellingen in de zorg bieden. Er wordt te weinig rekening gehouden met de wensen en preferenties van de cliënten. De RVZ ziet hiervoor oorzaken op twee niveaus. Op macroniveau, dat van het zorgsysteem, bestaat schaarste; is er geen transparantie over de producten waardoor de cliënt geen goede prijs-kwaliteit afweging kan maken; belemmeren teveel financiële schotten en loketten de samenwerking en samenhang tussen zorgsectoren en zijn er onvoldoende prikkels voor cliëntvriendelijkheid.

Op het microniveau, dat van de zorgaanbieders, wordt onvoldoende informatie en keuzemogelijkheden geboden en wordt onvoldoende gebruik gemaakt van protocollen en richtlijnen die bovendien veelal cliëntonvriendelijk zijn. Ervaringskennis wordt niet op waarde geschat; zorgaanbieders beheren het dossier en er is onvoldoende oog voor adequate patiëntenlogistiek, aldus de RVZ.

De RVZ constateert dat de cliënt niet altijd keuzevrijheid heeft. Het cliëntenperspectiefis begrensd, bijvoorbeeld door zorg-technische aspecten, door het type zorg dat een cliënt nodig heeft (bij acute zorg valt er niets te kiezen) ofdoor het type cliënt (niet iedereen kan, wil of mag kiezen). Tot slot stelt de RVZ dat het cliëntenperspectiefhet aspect van goed patiëntschap omvat. De RVZ bedoelt hiermee dat de cliënt zelf verantwoordelijkheid draagt: voor een gezonde levensstijl, voor het actief participeren aan zijn behandeling en voor het oordelen en feedback geven over de geconsumeerde zorg.

Voor de beantwoording van de onderzoeksvraag onderscheidt de RVZ de volgende aspecten: het creëren van een klant- en betaalrelatie, kwaliteitsbevordering en kwaliteitsbeoordeling en de rol voor patiënten /consumentenorganisaties.

Daarnaast benoemt de RVZ een aantal randvoorwaarden waaraan voldaan moet zijn. De RVZ werkt deze aspecten uit in specifieke adviezen. Hierna geven wij eerst een algemeen oordeel over het advies en gaan daarna in op de aanbevelingen.”

Bron: BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT,
1 april 2004, TK 2003–2004, 27 807, nr. 21.


Top


Brief staatssecretaris over cliëntenraden
“Cliëntenraden vervullen een belangrijke rol in de diverse instellingen voor de gezondheidszorg zoals ziekenhuizen, revalidatie-instellingen, verzorgingshuizen, verpleeghuizen, thuiszorginstellingen, psychiatrische ziekenhuizen, RIAGG’s. Door het uitoefenen van de in de wet aan de cliëntenraden toegekende medezeggenschapsrechten, kan de cliëntenraad eraan bijdragen dat zorg wordt geboden die aansluit bij de wensen en behoeftes van de cliënten. Om de cliëntenraad in staat te stellen zijn rol goed te spelen, moet aan een aantal randvoorwaarden zijn voldaan.

De wetgever heeft in de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (WMCZ) bepaald dat de zorgaanbieder schriftelijk moet regelen over welke materiële middelen de cliëntenraad ten behoeve van zijn werkzaamheden kan beschikken. Deze regeling moet zodanig zijn dat de cliëntenraad op basis daarvan zijn taak binnen de instelling kan vervullen. Deze regeling valt onder het verzwaard adviesrecht van de cliëntenraad. Dit houdt in dat de zorgaanbieder niet alleen het advies van de cliëntenraad behoort te vragen voor hij de regeling vaststelt, en daarover overeenstemming met de raad tracht te bereiken. Het initiatief kan overigens ook bij de cliëntenraad liggen. Indien zorgaanbieder en cliëntenraad het niet eens worden over de regeling, kan de kwestie ter beoordeling worden voorgelegd aan de commissie van vertrouwenslieden. Op deze commissie van vertrouwenslieden kan ook een beroep worden gedaan wanneer bij de uitvoering van het besluit meningsverschillen ontstaan. Het merendeel van de instellingen is inmiddels aangesloten bij een voor de desbetreffende sector ingestelde Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden.

Hoeveel middelen de zorgaanbieder aan de cliëntenraad ter beschikking moet stellen, is niet in de WMCZ zelf geregeld. Uit het onderzoek naar de kosten van cliëntenraden dat de minister in maart 2004 naar de Kamer heeft gezonden (Kamerstuk 29 200 XVI, nr. 190), blijkt dat de praktijk gevarieerd en divers is. De WMCZ bevat een wettelijk kader dat verder door de partijen zelf kan worden ingevuld. In de praktijk blijkt dat het nader invullen van de regeling van het budget van de cliëntenraad desondanks niet overal goed geregeld is. Daardoor kan het functioneren van de cliëntenraad in de knel komen. Diverse Kamerleden hebben mij hierop aangesproken. Ik heb toegezegd de Kamer voor 1 januari 2006 te informeren over de wijze waarop ik het probleem, dat de cliëntenraad van de zorgaanbieder onvoldoende budget krijgt, wil aanpakken.

Ik zal bevorderen dat op korte termijn een wetswijziging tot stand komt. In de eerste plaats zal daarmee aan de verplichting van de zorgaanbieder om de materiële middelen te regelen, de norm «voldoende» worden toegevoegd. Op die manier krijgt de cliëntenraad meer houvast om een, gemeten naar de concrete situatie, te laag budget als onvoldoende te kunnen bestempelen. In de tweede plaats zal er een delegatiebepaling worden opgenomen, op grond waarvan de minister aan het vaststellen van het budget in een ministeriële regeling nadere – afdwingbare – eisen kan stellen.”

Bron: BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 23 december 2005, TK 2005–2006, 27 807, nr. 27.

Top
Terug naar: Wetgeving.
Latest update: 29 oktober 2006.
Home