Iwtr.: 1 januari 2002 (Besluit van 10
december 2001, houdende vaststelling van het tijdstip van de inwerkingtreding
van de wet van 6 december 2001 tot herziening van het procesrecht voor
burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg
(Stb. 580), van de wet van 6 december 2001 tot aanpassing van de wetgeving aan
de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de
wijze van procederen in eerste aanleg (Stb. 581), het Aanpassingsbesluit
herziening burgerlijk procesrecht, de Wet organisatie en bestuur gerechten, de
Wet Raad voor de rechtspraak, de Aanpassingswet modernisering rechterlijke
organisatie, het Besluit College van afgevaardigden, het Besluit
nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen, het Besluit uitoefening
rechtspositionele bevoegdheden gerechtsambtenaren en ambtenaren bureau Raad
voor de rechtspraak, het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad
voor de rechtspraak, het Besluit orde van dienst gerechten en het Besluit
beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers,
Stb. 2002, 621);
Toelichting
De WMCZ regelt een collectief recht van patiënten op
medezeggenschap. De wet voorziet in de instelling van een cliëntenraad en
regelt de inspraak en invloed over alle kwesties waarbij hun belang als
cliënt in het geding is. De cliëntenraad heeft het recht om advies
uit te brengen over besluiten van algemeen belang voor het functioneren van de
instelling (fusie, verbouwing, jaarrekening, wijziging in de werkzaamheden
etc.); verzwaard adviesrecht inzake beslissingen die direct de
cliëntenbelangen raken (kwaliteitsbeleid, klachtenregeling etc.); het recht
op informatie en het recht een bindende voordracht te doen voor de benoeming
van tenminste een bestuurslid. Verdergaande bevoegdheden van de
cliëntenraad zijn op basis van de WMCZ mogelijk.
De wet beoogt de medezeggenschap van cliënten in instellingen te
regelen inzake kwesties waarbij het belang van de cliënt in het geding is.
Patiënten/consumentenbeleid
Nota ‘Met zorg kiezen’
1. Inleiding
De (individuele)
vragen en behoeften van de zorggebruiker moeten zo veel als mogelijk
richtinggevend zijn voor het aanbod van zorg. Dat uitgangspunt vormt al geruime
tijd de leidraad voor ons beleid, zowel in de manier waarop wij de inrichting
van de zorg als het verzekeringsstelsel (bij)sturen. In het Actieplan
«Zorg Verzekerd» dat wij op 6 november 2000 aan de Tweede Kamer
hebben gezonden, is aangegeven dat er bij de omvorming van onze gezondheidszorg
van een aanbodgericht naar een meer vraaggestuurd stelsel nog belangrijke
vooruitgang geboekt kan en moet worden.
Zo’n omvorming van de
gezondheidszorg komt niet vanzelf tot stand. Het vraagt om een verschuiving in
de rol- en verantwoordelijkheidsverdeling en vergt een bijdrage van alle
betrokken partijen. De afgelopen jaren hebben wij al de nodige maatregelen
genomen om aanbieders van zorg en zorgverzekeraars te stimuleren meer tegemoet
te komen aan de vragen en behoeften van degenen die van zorg gebruik maken. Die
maatregelen kozen als aangrijpingspunt veelal het functioneren van instellingen
of verzekeraars.
Deze nota beschrijft hoe een vraaggeoriënteerde zorg
dichterbij gebracht kan worden door gebruikers van zorg zelf meer instrumenten
in handen te geven.
Al geruime tijd vormt
het stimuleren en aanspreken van aanbieders van zorg op het vraaggerichter
maken van hun aanbod, een herkenbare lijn in het beleid. Dat heeft ook tot veel
belangrijke ontwikkelingen geleid.
Zo zijn ziekenhuizen hun
organisatiestructuur steeds meer gaan «kantelen», zodat niet de
indeling in medisch specialismen, maar de gang die een patiënt door het
ziekenhuis maakt, organisatorisch uitgangspunt is geworden.
Onder de noemer van
zorgvernieuwing is zowel in de care- als in de curesector een veelheid van
initiatieven ontwikkeld met als leidende gedachte dat de zorg rond de
cliënt georganiseerd moet worden. Veel van die initiatieven zijn inmiddels
staande praktijk.
Ketenzorg en Business Process Redesign zijn gevestigde
begrippen geworden in de gezondheidszorg. De laatste jaren is in toenemende
mate het beleid er op gericht al deze inspanningen in een kader te plaatsen. Zie
onder andere de nota’s over de modernisering van de AWBZ en de
modernisering van de curatieve zorg.
Zo is het beleid
gericht op het voldoende functioneel en flexibel omschrijven van de verzekerde
zorg, zodat zorg op maat beter mogelijk wordt. Het is er ook op gericht om de
contracteervrijheden van verzekeraars te vergroten en het verzekeringskarakter
van de ZFW en AWBZ waar nodig te herstellen. Een grotere variëteit aan
aanbieders wordt expliciet nagestreefd en de mogelijkheden voor
persoonsgebonden budgetten (pgb) worden waar mogelijk vergroot.
Al deze maatregelen
moeten er toe leiden dat er meer dynamiek en flexibiliteit ontstaat in de zorg.
Tegelijkertijd kan dit niet alleen dichterbij gebracht worden door te sturen op
de manier waarop verzekeraars en aanbieders zich tot elkaar verhouden. Zorggebruikers
kunnen zelf in veel gevallen actief bevorderen dat de zorg nog beter
georiënteerd is op hun vragen en behoeften. Dat kunnen ze niet altijd –
vaak verkeren ze in een afhankelijke positie – en niet volledig – ze blijven
meestal aangewezen op de professionele deskundigheid van de aanbieders –
maar ze kunnen het wel meer dan nu vaak het geval is. Deze nota schetst met
behulp van welke instrumenten zorggebruikers beter toegerust kunnen worden om
de zorg (nog) beter aan te laten sluiten bij hun vragen en behoeften. Hij is daarmee
complementair aan de nota’s over de transformatie van de cure en caresector
en de komende nota over het verzekeringsstelsel.”
Evaluatie van de Wet medezeggenschap
cliënten zorginstellingen
Bij brief (d.d.
13 december 2000, kenmerk GZB/PCZ-2137566) hebben wij u de evaluatie van de Wet
medezeggenschap cliënten zorginstellingen aangeboden. Deze evaluatie is in
opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verricht en
betreft een inventarisatie van de stand van zaken van de naleving en invulling
van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen in de praktijk. Het
onderzoek is uitgevoerd door het Verweij-Jonker Instituut. Met de toezending
van de nota patiënten- en consumentenbeleid (d.d. 11 juni 2001), met als
titel «Met zorg kiezen», hebben wij u geïnformeerd dat het
standpunt van het Ministerie van VWS op de voorliggende evaluatie zou volgen. Hierbij
willen wij aan deze toezegging voldoen.
De Wet medezeggenschap
cliënten zorginstellingen (WMCZ) is vanaf juni 1996 van kracht. De WMCZ
stelt regels ter bevordering van medezeggenschap van cliënten in
zorginstellingen op het terrein van maatschappelijke zorg en gezondheidszorg.
Door middel van medezeggenschap wordt getracht te bereiken dat bij de
zorgverlening in voldoende mate rekening is gehouden met de vragen en behoeften
van cliënten. De mate van de betrokkenheid van cliënten bij het
zorgproces kan per instelling verschillen. Met name voor cliënten die
verblijven in zorginstellingen is medezeggenschap een belangrijk instrument.
Met de WMCZ is vastgelegd dat in alle instellingen via een
geïnstitutionaliseerde cliëntenvertegenwoordiging de belangen van de
cliënten behartigd worden.
De WMCZ verplicht de
zorgaanbieder voor elke door hem in stand gehouden instelling een
cliëntenraad in te stellen. Hij dient de cliëntenraad te vragen
advies uit te brengen over o.a. elk voorgenomen besluit dat de instelling
betreft over belangrijke wijzigingen in de organisatie of van werkzaamheden, verhuizing,
begroting, het toelatingsbeleid van cliënten en voedingsaangelegenheden
van algemene aard. Door deze medezeggenschap wordt getracht te bereiken dat
instellingen op het terrein van maatschappelijke zorg en gezondheidszorg in
voldoende mate rekening houden met de vragen en behoeften van cliënten.
De WMCZ sluit aan bij
de Wet klachtrecht cliënten zorgsector. De wet beoogt ter versterking van
de rechtspositie van cliënten een wettelijke basis te geven aan de
toenmalige medezeggenschapsregelingen en nieuwe regelingen te entameren in
instellingen die er nog geen hebben.
Cliënten kunnen
zo nodig zelf de naleving van de wetsbepalingen afdwingen.
De programmacommissie
evaluatie regelgeving van ZorgOnderzoek Nederland, onder wiens auspiciën
de evaluatie is uitgevoerd, heeft gekozen voor een sectorgewijze
inventarisatie, hierdoor kon rekening worden gehouden met de verschillende
fasen waarin de uitvoering van de WMCZ in de diverse sectoren verkeert en met
eventuele overgangsproblemen.
De vraagstellingen van
het evaluatieonderzoek betroffen:
1. In hoeverre heeft de WMCZ aan zijn doel beantwoord?
2. In hoeverre hebben de in de wet gekozen instrumenten en mogelijk andere
factoren bijgedragen aan doelbereiking van de WMCZ? Wat is de stand van zaken?
3. Is er sprake van
onbedoelde neveneffecten?
De vraagstellingen van
het onderzoek zijn via een drietal deelonderzoeken beantwoord, te weten: a) juridische-technische
analyse, b) inventarisatie en c) doelbereiking WMCZ.
In het navolgende zal
nader worden ingegaan op de conclusies en aanbevelingen van de evaluatie van de
WMCZ. Gezien het feit dat de conclusies onzes inziens een aantal belangrijke
zaken te berde brengen (zoals de bovenwettelijke regelingen en de kosten van de
uitvoering) die niet expliciet in de aanbevelingen terug komen, zullen we al
bij een aantal conclusies ook onze standpunten en aanvullende activiteiten
verwoorden. Bij het innemen van een standpunt op de evaluatie WMCZ is tevens
meegenomen de reacties die we van verschillende organisaties hebben mogen ontvangen,
te weten: Landelijke Organisatie Cliëntenraden (LOC), Landelijke patiënten-
en bewonersraden in de GGZ (LPR), Landelijke Steunpunt Cliëntenraden
Voozieningscentra Gehandicapten (LSR), Nederlandse Patiënten Consumenten
Federatie (NPCF), Stichting Raad op Maat, Stichting VraagRaak, Vereniging
Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) en Arcares.”
Bron: BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID,
WELZIJN EN SPORT, 11 december 2001, TK 2001–2002, 28 000 XVI, nr. 78.
Kabinetsstandpunt op het advies 'Cliëntenperspectief
bij zorginstellingen en professionals' van de Raad voor de Volksgezondheid en
Zorg (RVZ)
“In april 2002
heeft de minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) de Raad voor de
Volksgezondheid en Zorg (RVZ) gevraagd te adviseren over het thema
«Cliëntenperspectiefbij zorginstellingen en professionals ».
Met de nota «Vraag aan bod» is VWS een weg ingeslagen waarin
vraagsturing en vraaggerichte zorg centraal staan. Dit betekent dat de
individuele vragen en behoeften van de cliënt zoveel mogelijk
richtinggevend zijn voor het aanbod van zorg. Hiermee wordt de dienstverlening aan
de cliënt beter en kan de kwaliteit van zorg verhoogd worden.
In de huidige
Nederlandse gezondheidszorg zijn de keuzemogelijkheden en daarmee de
beïnvloedingsmogelijkheden van cliënten op het gebied van zorg en
zorgverzekering nog te beperkt. Het advies van de RVZ benadert deze
problematiek aan de hand van de volgende vragen: «Welke informatie of
hulpmiddelen heeft de aanbieder nodig om zich in zijn handelen te richten op
wat de cliënt wenst en op welke manier kunnen zorgaanbieders worden
geprikkeld om zich te richten naar de vragen en informatiebehoefte van de
cliënt?» Met deze brief geven wij ons standpunt op het advies.
Kern van het advies
De zorgmarkt vertoont
nog kenmerken van een aanbiedersmarkt. Volgens de RVZ is er een groot verschil
tussen wat cliënten willen en wat professionals en instellingen in de zorg
bieden. Er wordt te weinig rekening gehouden met de wensen en preferenties van
de cliënten. De RVZ ziet hiervoor oorzaken op twee niveaus. Op
macroniveau, dat van het zorgsysteem, bestaat schaarste; is er geen
transparantie over de producten waardoor de cliënt geen goede
prijs-kwaliteit afweging kan maken; belemmeren teveel financiële schotten
en loketten de samenwerking en samenhang tussen zorgsectoren en zijn er
onvoldoende prikkels voor cliëntvriendelijkheid.
Op het microniveau,
dat van de zorgaanbieders, wordt onvoldoende informatie en keuzemogelijkheden
geboden en wordt onvoldoende gebruik gemaakt van protocollen en richtlijnen die
bovendien veelal cliëntonvriendelijk zijn. Ervaringskennis wordt niet op
waarde geschat; zorgaanbieders beheren het dossier en er is onvoldoende oog
voor adequate patiëntenlogistiek, aldus de RVZ.
De RVZ constateert dat
de cliënt niet altijd keuzevrijheid heeft. Het cliëntenperspectiefis
begrensd, bijvoorbeeld door zorg-technische aspecten, door het type zorg dat
een cliënt nodig heeft (bij acute zorg valt er niets te kiezen) ofdoor het
type cliënt (niet iedereen kan, wil of mag kiezen). Tot slot stelt de RVZ
dat het cliëntenperspectiefhet aspect van goed patiëntschap omvat. De
RVZ bedoelt hiermee dat de cliënt zelf verantwoordelijkheid draagt: voor
een gezonde levensstijl, voor het actief participeren aan zijn behandeling en
voor het oordelen en feedback geven over de geconsumeerde zorg.
Voor de beantwoording
van de onderzoeksvraag onderscheidt de RVZ de volgende aspecten: het
creëren van een klant- en betaalrelatie, kwaliteitsbevordering en
kwaliteitsbeoordeling en de rol voor patiënten /consumentenorganisaties.
Daarnaast benoemt de
RVZ een aantal randvoorwaarden waaraan voldaan moet zijn. De RVZ werkt deze
aspecten uit in specifieke adviezen. Hierna geven wij eerst een algemeen
oordeel over het advies en gaan daarna in op de aanbevelingen.”
Bron: BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID,
WELZIJN EN SPORT, 1 april 2004, TK 2003–2004, 27 807, nr.
21.
Brief
staatssecretaris over cliëntenraden
“Cliëntenraden
vervullen een belangrijke rol in de diverse instellingen voor de
gezondheidszorg zoals ziekenhuizen, revalidatie-instellingen, verzorgingshuizen,
verpleeghuizen, thuiszorginstellingen, psychiatrische ziekenhuizen, RIAGG’s.
Door het uitoefenen van de in de wet aan de cliëntenraden toegekende
medezeggenschapsrechten, kan de cliëntenraad eraan bijdragen dat zorg
wordt geboden die aansluit bij de wensen en behoeftes van de cliënten. Om
de cliëntenraad in staat te stellen zijn rol goed te spelen, moet aan een
aantal randvoorwaarden zijn voldaan.
De wetgever heeft in
de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (WMCZ) bepaald dat de
zorgaanbieder schriftelijk moet regelen over welke materiële middelen de
cliëntenraad ten behoeve van zijn werkzaamheden kan beschikken. Deze
regeling moet zodanig zijn dat de cliëntenraad op basis daarvan zijn taak
binnen de instelling kan vervullen. Deze regeling valt onder het verzwaard
adviesrecht van de cliëntenraad. Dit houdt in dat de zorgaanbieder niet
alleen het advies van de cliëntenraad behoort te vragen voor hij de
regeling vaststelt, en daarover overeenstemming met de raad tracht te bereiken.
Het initiatief kan overigens ook bij de cliëntenraad liggen. Indien
zorgaanbieder en cliëntenraad het niet eens worden over de regeling, kan
de kwestie ter beoordeling worden voorgelegd aan de commissie van
vertrouwenslieden. Op deze commissie van vertrouwenslieden kan ook een beroep
worden gedaan wanneer bij de uitvoering van het besluit meningsverschillen
ontstaan. Het merendeel van de instellingen is inmiddels aangesloten bij een
voor de desbetreffende sector ingestelde Landelijke Commissie van
Vertrouwenslieden.
Hoeveel middelen de
zorgaanbieder aan de cliëntenraad ter beschikking moet stellen, is niet in
de WMCZ zelf geregeld. Uit het onderzoek naar de kosten van cliëntenraden
dat de minister in maart 2004 naar de Kamer heeft gezonden (Kamerstuk 29 200
XVI, nr. 190), blijkt dat de praktijk gevarieerd en divers is. De WMCZ bevat
een wettelijk kader dat verder door de partijen zelf kan worden ingevuld. In de
praktijk blijkt dat het nader invullen van de regeling van het budget van de
cliëntenraad desondanks niet overal goed geregeld is. Daardoor kan het
functioneren van de cliëntenraad in de knel komen. Diverse Kamerleden
hebben mij hierop aangesproken. Ik heb toegezegd de Kamer voor 1 januari 2006
te informeren over de wijze waarop ik het probleem, dat de cliëntenraad
van de zorgaanbieder onvoldoende budget krijgt, wil aanpakken.
Ik zal bevorderen dat
op korte termijn een wetswijziging tot stand komt. In de eerste plaats zal
daarmee aan de verplichting van de zorgaanbieder om de materiële middelen
te regelen, de norm «voldoende» worden toegevoegd. Op die manier
krijgt de cliëntenraad meer houvast om een, gemeten naar de concrete
situatie, te laag budget als onvoldoende te kunnen bestempelen. In de tweede
plaats zal er een delegatiebepaling worden opgenomen, op grond waarvan de
minister aan het vaststellen van het budget in een ministeriële regeling
nadere – afdwingbare – eisen kan stellen.”
Bron: BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT,
23 december 2005, TK 2005–2006, 27 807, nr. 27.