Iwtr.: met uitzondering van artikel 6, treedt in werking met
ingang van de eerste dag van de tweede maand na de datum van uitgifte van het
Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst (Artikel 7).
gewijzigd bij:
Wet van 26 september 1996, Overgangswet verzorgingshuizen, Stb.
1996, 478;
Iwtr.:
1. Deze wet treedt in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. Voor
de artikelen 26 en 50 tot en met 68 wordt dat tijdstip niet later gesteld dan 1
januari 2001. De artikelen 1 tot en met 25 vervallen op het in de tweede zin
bedoelde tijdstip.
2. In afwijking van het eerste lid:
a. verstrekt de
Ziekenfondsraad eerst subsidies vanaf 1 januari van het jaar, volgende op het
jaar waarin artikel 2, eerste lid, in werking is getreden;
b. worden, indien de
artikelen 2, tweede lid, en
in werking treden op een tijdstip gelegen tussen 1 juli
tot en met 31 december van enig kalenderjaar, het bedrag dan wel de bedragen,
bedoeld in artikel 2, tweede lid, die beschikbaar zijn voor het eerste
kalenderjaar waarin de Ziekenfondsraad subsidie verstrekt op grond van deze
wet, onderscheidenlijk de begroting, bedoeld in artikel 14, zo spoedig mogelijk
meegedeeld, onderscheidenlijk, vastgesteld (Artikel 69).
Wet van 6 december 2001, Wet tot behoud van cultuurbezit, Stb. 2001, 581;
Iwtr.: 1 januari 2002 (Besluit
van 10 december 2001, houdende vaststelling van het tijdstip van de
inwerkingtreding van de wet van 6 december 2001 tot herziening van het
procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in
eerste aanleg (Stb. 580), van de wet van 6 december 2001 tot aanpassing van de
wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het
bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Stb. 581), het
Aanpassingsbesluit herziening burgerlijk procesrecht, de Wet organisatie en
bestuur gerechten, de Wet Raad voor de rechtspraak, de Aanpassingswet modernisering
rechterlijke organisatie, het Besluit College van afgevaardigden, het Besluit
nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen, het Besluit uitoefening
rechtspositionele bevoegdheden gerechtsambtenaren en ambtenaren bureau Raad
voor de rechtspraak, het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad
voor de rechtspraak, het Besluit orde van dienst gerechten en het Besluit
beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers, Stb. 2002, 621);
Wet van
7 april 2005, houdende wijziging van de Kwaliteitswet zorginstellingen en de
Wet klachtrecht cliënten zorgsector, Stb. 2005, 217;
Iwtr.: de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt
geplaatst (Besluit van 2 juni 2005 tot
inwerkingtreding van de Wet van 7 april 2005 tot wijziging van de Kwaliteitswet
zorginstellingen en de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Stb. 216), Stb. 2005, 297).
Wet van 6
oktober 2005, houdende invoering van de Zorgverzekeringswet en aanpassing van
overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet),
Stb. 2005, 525;
Iwtr.: De artikelen van
deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip,
dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld (Artikel 5.2).
Wet van
17 november 2005 tot wijziging van de Wet bijzondere opnemingen in
psychiatrische ziekenhuizen en enige andere wetten in verband met de aanpassing
van de in deze wet opgenomen klachtregeling, Stb. 2005, 617;
Iwtr.: op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (ARTIKEL IX).
De WKCZ
De WKCZ verplicht aanbieders van gezondheidszorg om een klachtencommissie
in te stellen die klachten behandelt van cliënten over hulpverleners en/of
de desbetreffende instelling. De klachtencommissie doet uitspraken over het al
of niet gegrond zijn van een klacht. Eventueel kan de commissie daarbij
aangeven welke maatregelen de zorgaanbieder kan nemen om herhaling van dezelfde
klacht te voorkomen. De uitspraken van de klachtencommissie zijn juridisch niet
afdwingbaar.
Doelstelling
De wet beoogt cliënten in de zorgsector een laagdrempelige
klachtmogelijkheid te bieden en signalen van cliënten te benutten ten
einde de kwaliteit van de zorg te verbeteren.
Ten einde de objectiviteit van de klachtbehandeling te waarborgen, dient de
door de zorgaanbieder te treffen regeling voor de behandeling van klachten erin
te voorzien dat de klachten van cliënten worden behandeld door een
commissie van ten minste drie personen, waarvan in ieder geval de voorzitter
niet werkzaam is voor of bij de betrokken zorgaanbieder (artikel 2, tweede lid,
onder a).
Deze bepaling sluit derhalve uit -anders dan de oorspronkelijke tekst
van het wetsvoorstel- dat de zorgaanbieder de klachtbehandeling in handen geeft
van één enkele medewerker of de klachtbehandeling tot uitsluitend
een directieaangelegenheid maakt. De omstandigheid dat meerdere personen, onder
leiding van een van de zorgaanbieder onafhankelijke voorzitter, tot een
gezamenlijk oordeel over een klacht dienen te geraken, biedt naar onze overtuiging
goede waarborgen voor de objectiviteit van dat oordeel.
Voorts is uit oogpunt
van een onpartijdige oordeelsvorming de bepaling gehandhaafd dat aan de
behandeling van een klacht niet mag worden deelgenomen door degene over wie is
geklaagd (tweede lid, onder b, nieuw).
Door bovenbeschreven waarborgen voor een objectieve klachtbehandeling wordt
een duidelijke afstand aangebracht tussen enerzijds de instantie die zich een
oordeel vormt over de klachten van de cliënten van een zorgaanbieder (de
klachtencommissie), en anderzijds de instantie die op grond van dat oordeel al
dan niet overgaat tot het treffen van maatregelen (de zorgaanbieder zelf). In
die opzet is het niet voldoende als de klager uitsluitend het oordeel van de
klachtencommissie over de gegrondheid van zijn klacht verneemt.
Tevens is voor
hem vanzelfsprekend van belang te weten welke maatregelen de zorgaanbieder op
grond van dat oordeel meent te moeten treffen. De verplichting voor de
zorgaanbieder om de klager en de klachtencommissie in kennis te stellen van
zijn reactie op het oordeel van de klachtencommissie (artikel 2, vijfde lid,
nieuw) vormt derhalve een essentieel onderdeel van de nieuwe klachtprocedure.
Werkingssfeer
Voor de beperking van de werkingssfeer van het wetsvoorstel tot de met
collectieve middelen gefinancierde zorgaanbieders, is indertijd gekozen op
grond van het argument dat aldus gefinancierde zorgaanbieders vanwege het niet
aanwezig zijn van enige marktwerking, onvoldoende stimulansen hebben om een
goede klachtenregeling te treffen. Nadere overwegingen hebben ons tot de
conclusie geleid dat ook bij de niet met collectieve middelen gefinancierde
zorgaanbieders geenszins een goede klachtbehandeling is gewaarborgd zonder
wettelijke voorschriften terzake.
Omdat een goede en laagdrempelige
klachtbehandeling in de zorgsector en de maatschappelijke dienstverlening van
essentieel belang is voor cliënten, en dit belang aanwezig is ongeacht de
wijze waarop de zorg of dienstverlening wordt gefinancierd, menen wij dat de
wettelijke bepalingen dienen te gelden voor zowel de zorgaanbieders die met
collectieve middelen worden gefinancierd, als de zorgaanbieders die worden
gefinancierd via particuliere betalingen.
Met deze uitbreiding van de
reikwijdte van onderhavig wetsvoorstel, wordt deze reikwijdte gelijk aan die
van het voorstel van Wet op de kwaliteit van zorginstellingen. Het feit dat een
goede klachtbehandeling een essentieel onderdeel is van een goed
kwaliteitsbeleid, is een reden temeer om de reikwijdte van beide
wetsvoorstellen niet verschillend te laten zijn.
Voorop staat de handhaving van de wet via de in het wetsvoorstel geopende
civielrechtelijke weg. Daarnaast kan ook op grond van het wetsvoorstel
Medezeggenschap cliënten zorginstellingen de zorgaanbieder op zijn
plichten terzake worden gewezen. De vaststelling of wijziging van een regeling
inzake de behandeling van klachten van cliënten is een onderwerp ten
aanzien waarvan de cliëntenraden van instellingen volgens dat wetsvoorstel
een instemmingsrecht hebben. Wij zijn van oordeel dat reeds via die wegen een
voldoende naleving van de wet kan worden verzekerd. Blijkt zulks in voorkomende
gevallen toch niet afdoende, dan kan via de band van de voorgenomen Kwaliteitswet
zorginstellingen en de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
(Wet BIG) het Staatstoezicht in actie komen.
Deze mogelijkheid is uiteraard wel
beperkt tot de onder genoemde wetten vallende personen en instellingen. De
voorgenomen Kwaliteitswet eist van instellingen die zorg verlenen dat die zorg
van een kwalitatief verantwoord niveau is en dat instellingen het nodige doen
om die kwaliteit te bewaken en te bevorderen. Genoemd wetsvoorstel voorziet
voorts in een wijziging van de Wet BIG, volgens welke wijziging die
kwaliteitseisen ook zullen gelden voor de beoefenaren van de in die wet
geregelde beroepen.
Onderdeel van het systematisch bevorderen en bewaken van
een verantwoorde zorgkwaliteit is onmiskenbaar een goede procedure voor het
behandelen van klachten van cliënten. Voorzover zorgaanbieders geen goede
klachtenregeling hebben, kan derhalve gesteld worden dat zij op grond van beide
wetten door het Staatstoezicht ter verantwoording kunnen worden geroepen.