Wet van 17 november 1994, houdende bepalingen omtrent de overeenkomst tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst, Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst,
Stb. 1994, 837;

Iwtr.: zie hieronder.


Gewijzigd bij


Wet van 22 december 2005 tot wijziging van enige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek omtrent de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling en van artikel IV van de wet van 17 november 1994, Stb. 837,
Stb. 2006, 29
,

Iwtr. (Artikel III):
  1. Artikel I, onderdeel A, en artikel II treden in werking met ingang van 1 april 2005. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 maart 2005, treden artikel I, onderdeel A, en artikel II in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, en werken deze artikelen terug tot en met 1 april 2005.
  2. Artikel I, onderdeel B, treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.


De wetswijziging van 22 december 2005

Algemeen
Blijkens artikel 7:454, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient de medische hulpverlener de gegevens die zich in zijn dossier met betrekking tot de behandeling van de patiënt bevinden, gedurende tien jaren te bewaren, te rekenen vanaf het tijdstip waarop zij zijn vervaardigd, of zoveel langer als redelijkerwijs uit de zorg van een goed hulpverlener voortvloeit. Een termijn van tien jaren voor het bewaren van de in artikel 7:454, derde lid, BW bedoelde bescheiden komt ook voor in de overgangsbepaling van artikel IV van de wet van 17 november 1994, Stb. 837 (de wet waarbij de BW-bepalingen omtrent de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling zijn vastgesteld). Op grond van die overgangsbepaling kunnen patiëntgegevens, die voorhanden waren op het tijdstip waarop de wet van 17 november 1994 in werking trad (te weten op 1 april 1995) nog gedurende tien jaren na dat tijdstip worden bewaard met het oog op verstrekking ten behoeve van statistiek of wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de volksgezondheid.

Met betrekking tot deze wettelijke termijnen voor het bewaren van patiëntgegevens zijn op 1 april 2004 door de Gezondheidsraad in zijn rapport «Bewaartermijn patiëntengegevens» voorstellen gedaan. Deze voorstellen behelzen afzonderlijke bewaartrajecten voor zorg aan de patiënt, medisch-wetenschappelijk onderzoek en erfelijke gegevens. Alle zijn zij van dien aard dat de geldende termijnen van tien jaren worden vervangen door een substantieel langer bewaarregime. Besluitvorming omtrent die voorstellen, die ook recht zal doen aan alle hier aan de orde zijnde belangen, vergt meer tijd dan de periode die rest tot 1 april 2005, het tijdstip waarop, gelet op de overgangsbepaling van genoemd artikel IV, aan de bevoegdheid tot bewaren van de daarbedoelde patiëntengegevens een einde komt. Daarom wordt, in overeenstemming met de Gezondheidsraad, voorgesteld de termijn van tien jaren, die voorkomt in artikel IV van de wet van 17 november 1994, Stb 837, in eerste instantie en bij wijze van voorlopige maatregel te verlengen tot vijftien jaren. Het wetsvoorstel voorziet er in dat aan deze wijziging zo nodig terugwerkende kracht kan worden verleend. Verlenging met vijf jaren wordt ook voorgesteld ten aanzien van de termijn van tien jaren in artikel 7:454, derde lid, BW. De verlenging van de bewaartermijn heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten. Het invoeren en bewaren van patiëntgegevens gebeurt in het overgrote deel van de gevallen via computersystemen. De kosten voor het langer digitaal beschikbaar houden van de gegevens zijn verwaarloosbaar.

Zie verder artikel II onderscheidenlijk artikel I, onderdeel A, van het wetsvoorstel.

Het wetsvoorstel strekt in de tweede plaats tot uitvoering van het voornemen van de toenmalige ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om het blokkeringsrecht van de keurling definitief te beperken tot keuringen in verband met nog niet tot stand gekomen arbeidsverhoudingen en burgerrechtelijke verzekeringen en tot keuringen voor opleidingen waarmee nog een aanvang moet worden gemaakt. Het blokkeringsrecht, vervat in artikel artikel 7:464, tweede lid, onder b, BW, is het recht dat degene die een keuring ondergaat, heeft, om na kennis te hebben genomen van de uitslag van de keuring en de gevolgtrekking die daaraan wordt verbonden, de doorgifte daarvan, bij voorbeeld aan de verzekeraar of aan de uitkeringsinstantie, tegen te houden.

Aldus artikel I, onderdeel B, van het wetsvoorstel (wijziging van artikel 7:464, tweede lid, onder b, BW). Zie voor het voornemen tot wetswijziging nader de toelichting, onder 4, op het Besluit van 13 maart 2000, houdende aanwijzing van situaties, bedoeld in artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarvoor dit artikel later dan met ingang van 1 mei 2000 (en wel op 1 mei 2005) in werking zal treden (Stb. 121).

Ten slotte. In het enig artikel, onder b, van eerder genoemd Besluit van 13 maart 2000 zijn situaties vermeld, die betrekking hebben op handelingen op het gebied van de geneeskunst die worden verricht in verband met de uitvoering van wettelijke voorschriften op het terrein van de arbeidsomstandigheden, de sociale zekerheid en de sociale voorzieningen, alsmede van pensioenregelingen en collectieve arbeidsovereenkomsten.

Voor zover het betreft de overeenkomstige toepassing in die situaties, van de artikelen 457 en 464, tweede lid, onder b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is de inwerkingtreding van artikel 7:464 BW nader bepaald op 1 mei 2005. Een en ander is uitvoerig toegelicht in paragraaf 3 van de toelichting op het Besluit van 13 maart 2000: met dit uitstel tot 1 mei 2005 werd beoogd ruimte te scheppen om te voorzien in formele wetgeving die een blijvende niet-toepasselijkheid van beide wetsartikelen met betrekking tot genoemde beleidsterreinen bewerkstelligt. Deze specifieke wetgeving zal evenwel niet voor 1 mei 2005 gereed zijn. Op de beleidsterreinen waarvoor de overeenkomstige toepasselijkheid van beide artikelen tot 1 mei 2005 is uitgesteld, hebben zich namelijk na 2000 vele en ingrijpende beleidsontwikkelingen voorgedaan. Ook thans worden op deze terreinen nog ingrijpende wetswijzigingen voorbereid.

Sedert 1 mei 2000 hebben zich overigens ook geen wezenlijke veranderingen voorgedaan ten aanzien van de beleidsterreinen waarvoor in het Besluit van 13 maart 2000 een uitzondering met betrekking tot de overeenkomstige toepasselijkheid van de artikelen 7:457 en 7:464, tweede lid, onder b, BW werd gemaakt. Het is daarom nog steeds nodig om de overeenkomstige toepassing van die artikelen voor bedoelde beleidsterreinen uit te zonderen. Het voornemen is dan ook – voor de tussentijd en daarbij rekening houdend met de tijd die in de regel met de totstandbrenging van wetgeving gemoeid is – een wijziging van het Besluit van 13 maart 2000 te bevorderen, inhoudend een nader uitstel tot 1 mei 2010. Indien een formeel wettelijke regeling op een vroeger tijdstip in werking kan zijn getreden, zal het beoogde uitstel uiteraard eerder een einde nemen. Bron: MvT, TK 2004–2005, 30 049, nr. 3.


Top


Bij wet van 17 november 1994 (Stb. 837) is het Burgerlijk Wetboek (BW) gewijzigd in verband met de opneming van bepalingen omtrent de overeenkomst tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst, verder ook wel te noemen de Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO). Deze wet is in werking getreden met ingang van 1 april 1995 (Stb. 1994, 845). De WGBO bevat een aantal overgangsbepalingen. Een daarvan – artikel V – heeft betrekking op de mogelijkheid van latere inwerkingtreding van artikel 464 van Boek 7 BW.

De onderhavige maatregel van bestuur strekt tot uitstel van de inwerkingtreding van een aantal bepalingen van de WGBO voor enige specifieke situaties. Waarom dit uitstel nodig is gebleken wordt hierna in zijn algemeenheid toegelicht, een specifieke toelichting volgt in de paragrafen 2, 3, en 4 van deze nota.

Artikel 7:464 BW verklaart afdeling 5 van titel 7 van boek 7 BW (de WGBO) van overeenkomstige toepassing op handelingen die op het gebied van de geneeskunst worden verricht in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf anders dan krachtens een behandelingsovereenkomst, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Artikel V, tweede lid, bepaalt dat artikel 7:464 in werking treedt met ingang van de eerste kalendermaand na verloop van vijf jaren na inwerkingtreding van de WGBO, derhalve per 1 mei 2000. Dit met onder andere de volgende uitzondering: «tenzij bij algemene maatregel van bestuur voor daarin aan te geven situaties, bedoeld in artikel 464, een eerder of later tijdstip van inwerkingtreding is bepaald.» (artikel V, tweede lid onder a).

Voor handelingen omschreven in artikel 7:446 lid 5 BW (medische keuringen), die worden verricht in verband met een beoogde arbeidsverhouding, een beoogde burgerrechtelijke verzekering, dan wel de toelating tot een opleiding zijn de artikelen van de WGBO met de inwerkingtreding daarvan reeds van toepassing geworden (Artikel V, tweede lid, onder c).

De achtergrond van de van overeenkomstige toepassingverklaring van de WGBO op situaties waarin in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf anders dan krachtens een behandelingsovereenkomst handelingen op het gebied van de geneeskunst worden verricht, is de volgende. De WGBO beoogt bescherming van de rechten van de patiënt met dienovereenkomstige verplichtingen voor de arts in de behandelingssituatie. Immers, in de behandelingssituatie bevindt de patiënt zich in een afhankelijke positie die gelijkwaardige verhoudingen in de weg kan staan.

Mensen worden evenwel niet zelden ook buiten een contractuele behandelingssituatie betrokken bij handelen van artsen, al dan niet in het kader van de uitvoering van wettelijke regelingen. Daarbij is, evenals bij een behandelingsovereenkomst, veelal sprake van afhankelijkheid, mede omdat er een zekere drang (of dwang) is om geneeskundige handelingen te ondergaan bijvoorbeeld met het oog op aanspraken die afhankelijk zijn van de gezondheidstoestand van betrokkene. Betrokkenheid bij handelen van een arts in niet-contractuele situaties komt voor indien het betreft handelingen van medische aard in het kader van de uitvoering van wettelijke voorschriften op het terrein van de arbeidsomstandigheden, de sociale zekerheid en de sociale voorzieningen, maar ook bijvoorbeeld bij ter beschikking gestelden en gedetineerden. Een ander voorbeeld is de periodieke medische keuring indien voor de functie bijzondere eisen moeten worden gesteld ten aanzien van de medische geschiktheid. De beschermingsbehoefte waarvan de WGBO uitgaat is ook aanwezig voor militairen, of in verband met medische keuringen met het oog op het afsluiten van een privaatrechtelijke verzekering.

Ook in situaties waarin handelingen op het gebied van de geneeskunst worden verricht, zonder dat een behandelingsovereenkomst aanwezig kan worden geacht, is er derhalve behoefte aan bescherming van de positie van de consument (patiënt). De van overeenkomstige toepassingverklaring van de WGBO-bepalingen door artikel 7:464 BW strekt ertoe in die beschermingsbehoefte te voorzien.

Door af te zien van integrale inwerkingtreding op het moment van het van kracht worden van de WGBO voor de hier bedoelde buitencontractuele situaties is er evenwel destijds ruimte geschapen na te gaan of er situaties zijn waarin hetzij
a. rechtstreeks uitzonderingen kunnen worden gemaakt op basis van het criterium van artikel 7:464 lid 1 (dat wil zeggen: voor zover (en dus: omdat) de aard van de rechtsbetrekking zich tegen toepasselijkheid verzet), hetzij
b. een regeling overeenkomstig de WGBO beter in specifieke wetgeving kan worden neergelegd omdat voor wat betreft de overeenkomstige toepasselijkheid van bepaalde artikelen van de WGBO toch uitzonderingen moeten worden gemaakt. (MvT, kamerstukken II 1989/90, 21 561, nr. 3, p. 47).

Het betreft in de kern omstandigheden waarbij vrijwilligheid zich aan medische handelingen te onderwerpen geheel of ten dele ontbreekt omdat er een feitelijke of juridische verplichting is zich aan die handelingen te onderwerpen.

a. In de eerst bedoelde situaties (overeenkomstige toepassing van de WGBO, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daar tegen niet verzet) gaat het om een situatie waarin medische handelingen plaatsvinden en de WGBO overigens volledige toepassing kan krijgen. Een voorbeeld hiervan is de medische zorg voor en aan militairen. Naast bestaande wettelijke verplichtingen met het oog op operationele inzetbaarheid kan er in voorkomend geval mee worden volstaan terug te vallen op het criterium voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich niet verzet tegen overeenkomstige toepassing van de WGBO. Een ander voorbeeld van een situatie waarin de aard van de rechtsbetrekking zich verzet tegen overeenkomstige toepassing, genoemd door Gevers (De WGBO, van tekst naar toepassing, 1998, p. 117 ev), is het optreden van de arts als getuige-deskundige, in welk geval artikel 7: 460 BW (behoudens gewichtige redenen kan de arts de behandelingsovereenkomst niet opzeggen) geen betekenis heeft.

b. Voor de tweede hiervoor bedoelde situaties, waar de wet zich onvoldoende leent voor volledige overeenkomstige toepassing, strekt Artikel V WGBO ertoe ruimte te bieden om, voor zover dit nodig is naast al reeds bestaande wetgeving, een afzonderlijke wettelijke regeling te treffen.

Er zijn overigens reeds voorbeelden van situaties waarin de wetgeving al van de WGBO afwijkende bepalingen bevat. Een daarvan is die met betrekking tot het medisch handelen bij infectieziektebestrijding (Infectieziektenwet). Evenals bij de Wet BOPZ geldt ook voor deze wet dat de WGBO aanvullend werkt. Ook de wet op de medische keuringen kan genoemd worden als een lex specialis ten opzichte van de WGBO. Een ander voorbeeld is het verplichte bloedonderzoek ingevolge artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994.

Andere specifieke situaties waar op onderdelen aparte rechtbescherming aangewezen is liggen op het terrein van sociale verzekeringen, bij geneeskundig onderzoek van werknemers bijvoorbeeld om na te gaan of terecht aanspraak op loon wordt gemaakt, bij ter beschikking gestelden en gedetineerden. Voor die situaties is inmiddels bezien in hoeverre naast de al aanwezige, van de WGBO afwijkende regelingen en tot stand gekomen zelfregulering, aparte wetgeving noodzakelijk is. Dit blijkt inderdaad het geval te zijn.

In het hierna volgende wordt beredeneerd aangeven waarom bepaalde artikelen van de WGBO vanaf 1 mei 2000 zonder bezwaar van overeenkomstige toepassing kunnen zijn. Voor een aantal andere bepalingen, waar zulks op problemen zou stuiten, bevat het besluit een voorziening:
de inwerkingtreding van artikel 7:464 BW wordt, voor wat betreft de WGBO-bepalingen die niet zonder bezwaar overeenkomstig kunnen worden toegepast, verder uitgesteld.

Aan een aantal van de situaties waarvoor de onderhavige algemene maatregel van bestuur een regeling bevat ligt ten grondslag het gegeven dat wetgeving momenteel in behandeling is bij de Staten-Generaal. Dit betreft met name het voorstel van Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) (kamerstukken I 1999/2000, 25 892, nr. 92), hetwelk in nauw verband staat met de WGBO voor wat betreft de omgang met medische persoonsgegevens. Met de in de WBP opgenomen bepalingen inzake gevoelige gegevens zal, zoals hierna nog wordt aangegeven, de situatie ten aanzien van de van overeenkomstige toepassing verklaring aanmerkelijk anders komen te liggen dan in 1995 het geval was. Ook kan nog genoemd worden het wetsvoorstel Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (kamerstukken II 1997/98, 26 016, nrs. 1–3 (e.v.)).

Ten slotte. Voor bestaande arbeidsverhoudingen en burgerrechtelijke verzekeringsovereenkomsten en voorts voor keuringen gedurende opleidingen, die bepalend kunnen zijn voor de vraag of de opleiding mag worden voortgezet, wordt de inwerkingtreding van artikel 7:464 BW eveneens verder uitgesteld. Het ligt in de bedoeling om de werking van lid 2 onder b van dit artikel voor wat betreft de handelingen bedoeld in artikel 7:446 lid 5 BW, die nu beperkt is tot de situaties, bedoeld in artikel V, tweede lid onder c, ook na 1 mei 2000 blijvend te beperken tot beoogde arbeidsverhoudingen en burgerrechtelijke verzekeringen alsmede tot de toelating tot een opleiding. Daarvoor is echter formele wetgeving nodig. <

Zie verder de toelichting op onderdeel c van het enig artikel, in paragraaf 4 van de nota van toelichting.


Top


3.3. Ten slotte

De conclusie uit het voorgaande is, dat de overeenkomstige toepassing van de artikelen 7:457 en 7:464, tweede lid, onderdeel b, wat betreft handelingen op het gebied van de geneeskunst die worden verricht in verband met de uitvoering van wettelijke voorschriften op het terrein van de arbeidsomstandigheden, de sociale zekerheid, de sociale voorzieningen alsmede van pensioenregelingen en collectieve arbeidsovereenkomsten, verder moet worden uitgesteld. Dit gebeurt in onderdeel b van het enig artikel van de voorliggende algemene maatregel van bestuur.

Zoals in paragraaf 1 van deze toelichting reeds is aangegeven, hangt het wetsvoorstel WBP wat betreft de omgang met medische gegevens nauw samen met de WGBO. Het wetsvoorstel WBP bevat regels omtrent de «verwerking» van persoonsgegevens. Onder «verwerking» valt onder meer het verstrekken van deze gegevens aan derden (zie de definitie van «verwerken» in artikel 1, onderdeel b, WBP). Wat betreft de verwerking van medische gegevens bevat de WBP een aantal specifieke regels.

Allereerst is in artikel 16 WBP een algemeen verbod om persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid te verwerken opgenomen. Daarbij moet overigens worden bedacht, dat het begrip «gegevens omtrent iemands gezondheid» in de WBP een veel ruimere strekking heeft dan het begrip «inlichtingen over de patiënt» in de WGBO: krachtens de WBP is de loutere mededeling dat iemand ziek is of bijvoorbeeld een WAO-uitkering heeft, al een gegeven betreffende iemands gezondheid. In artikel 21, eerste lid, WBP wordt op het verwerkingsverbod van artikel 16 WBP vervolgens een uitzondering gemaakt voor aldaar opgesomde personen of instellingen, voor zover die verwerking noodzakelijk is voor een goede uitoefening van (onderdelen van) hun taken of verantwoordelijkheden. (Ook artikel 23 WBP kent overigens uitzonderingen op artikel 16 WBP; hiervan wordt in het hiernavolgende geabstraheerd). Op grond van onderdeel e van het eerste lid van artikel 21 WBP, zullen onder meer Arbo-diensten, uvi’s, de SVb, gemeenten, pensioenfondsen en instellingen die collectieve arbeidsovereenkomsten uitvoeren, persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid mogen verwerken. Daarnaast zullen op grond van onderdeel b (particuliere) verzekeraars dergelijke gegevens mogen verwerken. Het vijfde lid van artikel 21 WBP schept de mogelijkheid bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen omtrent de toepassing van artikel 21, eerste lid, onderdelen b en e, WBP.

Van deze mogelijkheid zal gebruik worden gemaakt. De ruimte die artikel 21, eerste lid, onderdelen b en e, WBP de daar genoemde personen en instanties geeft om gezondheidsgegevens te verwerken en derhalve ook over en weer te verstrekken, is gezien het huidige beleid namelijk te groot. In eerdergenoemde algemene maatregel van bestuur zal deze ruimte dan ook worden ingeperkt. Daarbij zal de huidige situatie, zoals geregeld bij en krachtens diverse wetten en beleidsdocumenten (waaronder de in het voorgaande genoemde documenten van het Lisv en de KNMG), het uitgangspunt vormen.

Op zich zou het mogelijk zijn het verdere uitstel van de overeenkomstige toepassing van artikel 7:457 zoals dat in onderdeel b van het enige artikel van de onderhavige amvb wordt geregeld, te laten vervallen op het moment dat de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 21, vijfde lid, WPB, in werking treedt. Laatstgenoemde amvb kan immers gezien worden als een lex specialis als bedoeld in de derde volzin van het eerste lid van artikel 7:457, zodat er geen onduidelijkheid meer zou bestaan over de vraag wat voor zou gaan: artikel 7:457 of de regels in laatstgenoemde amvb. Echter, er zou dan nog wel onduidelijkheid kunnen bestaan over de verhouding tussen de regels in deze amvb en de regels die in de (formele) wetgeving van SZW – denk bijvoorbeeld aan eerdergenoemde OSV 1997 – zijn opgenomen over het verstrekken van gegevens aan derden. Dit zou vervolgens wederom tot onduidelijkheid leiden over de verhouding van het alsdan van overeenkomstige toepassing geworden artikel 7:457 en de regels in de SZW-wetgeving.

Om dergelijke onduidelijkheden te voorkomen, wordt beoogd het uitstel van de overeenkomstige toepassing van artikel 7:457 te laten vervallen op het moment dat via een wetswijziging in formele zin de SZW-wetgeving zo zal zijn gewijzigd, dat deze bij die op artikel 21 WBP te treffen algemene maatregel van bestuur aansluit. Aangezien dergelijke wetgeving in formele zin – net als de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 21 WBP – nog moet worden opgesteld, kan wat betreft het noemen van het tijdstip waarop het verdere uitstel van artikel 7:457 komt te Staatsblad 2000 121 25.vervallen, niet worden aangesloten bij de inwerkingtredingdatum van zo’n voorstel. Daarom wordt in onderdeel b van het enig artikel van onderhavige algemene maatregel van bestuur voorgesteld de overeenkomstige toepassing van artikel 7:457 voor eerdergenoemde sectoren nog eens met vijf jaar (dus tot 1 mei 2005) uit te stellen. Dat doet er uiteraard niet aan af dat ernaar gestreefd wordt bovengenoemde regelgeving eerder tot stand te brengen en daarmee dus eerder helderheid te creëren over de vraag wanneer eerdergenoemde personen en instellingen onder welke voorwaarden gegevens omtrent de gezondheid mogen verstrekken.

Ook het verdere uitstel van het blokkeringrecht op eerdergenoemde sectoren zal gelden tot 1 mei 2005. Voor die datum zal door middel van wetgeving in formele zin (aanpassing van het betreffende artikel van de WGBO en zonodig ook van de SZW-wetgeving) de structurele reikwijdte van het blokkeringrecht worden geregeld.

Top

4. Bestaande arbeidsverhoudingen en burgerrechtelijke verzekeringen in relatie tot medische keuringen
Artikel V, tweede lid, onder c, van de WGBO brengt met zich dat de WGBO met ingang van 1 april 1995 van overeenkomstige toepassing is op handelingen omschreven in artikel 7:446 lid 5 BW, die worden verricht in verband met een beoogde arbeidsverhouding, een beoogde burgerrechtelijke verzekering of de toelating tot een opleiding. Zoals ook uit de toelichtende parlementaire stukken bij de WGBO blijkt (kamerstukken II 1991/92, 21 561, nr. 11, blz. 13 en 14, en nr. 15, blz. 14) is er indertijd bewust voor gekozen de WGBO nog niet overeenkomstig van toepassing te laten zijn in ieder geval op lopende arbeidsverhoudingen en lopende burgerrechtelijke verzekeringen. De reden daarvoor was, dat met name het in artikel 7:464 lid 2 onder b neergelegde blokkeringrecht in geval van keuringen gedurende de arbeidsverhouding of de burgerrechtelijke verzekering tot problemen zou kunnen leiden. Wat betreft de arbeidsverhouding zou zo’n recht er namelijk toe kunnen leiden dat degene die volgens de keuringsarts geheel of gedeeltelijk zou moeten stoppen met werken, onder gebruikmaking van zijn recht om de resultaten van het onderzoek niet aan zijn werkgever of opdrachtgever door te geven, toch onverminderd zou kunnen blijven doorwerken. Daarmee zou hij een gevaar voor zichzelf of voor derden kunnen opleveren. Wat betreft de burgerrechtelijke verzekering geldt, dat een blokkeringrecht gedurende de looptijd van zo’n verzekering ertoe zou kunnen leiden dat de verzekeraar niet in staat zou zijn het uitkeringspercentage aan te laten sluiten op de werkelijke mate van arbeidsongeschiktheid.

Een nadere bestudering van de gevolgen van het alsnog van overeenkomstige toepassing worden van de WGBO op lopende arbeidsverhoudingen en burgerrechtelijke verzekeringen, heeft tot de conclusie geleid dat het blokkeringrecht om eerdergenoemde redenen ook in den vervolge niet van toepassing dient te zijn op deze gevallen. Voor de arbeidsverhoudingen kan hier nog als extra reden aan worden toegevoegd dat aangenomen kan worden dat degene die werk heeft aanvaard waarvoor periodieke medische keuring een voorwaarde vormt (denk bijvoorbeeld aan het aanvaarden van werk als stuurman op een schip, hetgeen een periodieke beoordeling van gehoor en gezichtsvermogen met zich brengt) bij die aanvaarding er ook impliciet mee akkoord is gegaan dat de uitslag en de gevolgtrekking van deze keuringen aan zijn werk- of opdrachtgever worden doorgegeven.

Wat betreft de burgerrechtelijke verzekeringen wordt nog gewezen op artikel 7.17.1.14 van het bij koninklijke boodschap van 16 mei 1986 ingediende voorstel van Wet tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (kamerstukken II, 1985/86, 19 529 nrs. 1–3). Krachtens het tweede lid van dat artikel zijn de verzekeringnemer en de uitkeringsgerechtigde verplicht binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen. Het van toepassing worden van een blokkeringrecht op lopende burgerrechtelijke verzekeringen zou haaks staan op de strekking van deze bepaling. Een zelfde bezwaar bestaat, indien iemand die tot een opleiding is toegelaten, en gedurende die opleiding in verband daarmee een medische keuring moet ondergaan welke voor een verder mogen vervolgen van de opleiding van belang is, de uitslag en de gevolgtrekking daarvan zonder enige consequentie voor zich zou kunnen houden.

Gelet op het voorgaande wordt in onderdeel c van het enig artikel van de onderhavige algemene maatregel van bestuur voorgesteld de overeenkomstige toepassing van artikel 7:464, tweede lid, onder b, BW op tot stand gekomen arbeidsverhoudingen en burgerrechtelijke verzekeringen alsmede op opleidingen waartoe een persoon reeds is toegelaten, met een termijn van vijf jaar uit te stellen. Het voornemen bestaat gedurende deze termijn de WGBO zo te wijzigen, dat het blokkeringrecht straks uitsluitend zal zien op handelingen omschreven in artikel 446 lid 5 die worden verricht in verband met een beoogde arbeidsverhouding, een beoogde burgerrechtelijke verzekering dan wel de toelating tot een opleiding.

Bron: NvT bij Besluit van 13 maart 2000, houdende aanwijzing van situaties, bedoeld in artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarvoor dit artikel later dan met ingang van 1 mei 2000 in werking zal treden, Stb. 2000, 121.


Top
Terug naar: Wetgeving.
Latest update: 29 oktober 2006.
Home