Wet van
22 december 2005 tot wijziging van enige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek
omtrent de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling en van artikel IV van
de wet van 17 november 1994, Stb. 837,
Stb. 2006, 29,
Iwtr.
(Artikel III):
Artikel I, onderdeel A, en artikel
II treden in werking met ingang van 1 april 2005. Indien het Staatsblad waarin
deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 maart 2005, treden
artikel I, onderdeel A, en artikel II in werking met ingang van de dag na
de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst,
en werken deze artikelen terug tot en met 1 april 2005.
Artikel I, onderdeel B, treedt in
werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.
De wetswijziging van 22 december 2005
Algemeen
Blijkens artikel
7:454, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient de medische
hulpverlener de gegevens die zich in zijn dossier met betrekking tot de
behandeling van de patiënt bevinden, gedurende tien jaren te bewaren, te
rekenen vanaf het tijdstip waarop zij zijn vervaardigd, of zoveel langer als
redelijkerwijs uit de zorg van een goed hulpverlener voortvloeit. Een termijn
van tien jaren voor het bewaren van de in artikel 7:454, derde lid, BW bedoelde
bescheiden komt ook voor in de overgangsbepaling van artikel IV van de wet van
17 november 1994, Stb. 837 (de wet waarbij de BW-bepalingen omtrent de
overeenkomst inzake geneeskundige behandeling zijn vastgesteld). Op grond van
die overgangsbepaling kunnen patiëntgegevens, die voorhanden waren op het
tijdstip waarop de wet van 17 november 1994 in werking trad (te weten op 1 april 1995)
nog gedurende tien jaren na dat tijdstip worden bewaard met het oog op
verstrekking ten behoeve van statistiek of wetenschappelijk onderzoek op het
gebied van de volksgezondheid.
Met betrekking tot
deze wettelijke termijnen voor het bewaren van patiëntgegevens zijn op 1 april
2004 door de Gezondheidsraad in zijn rapport «Bewaartermijn patiëntengegevens»
voorstellen gedaan. Deze voorstellen behelzen afzonderlijke bewaartrajecten voor
zorg aan de patiënt, medisch-wetenschappelijk onderzoek en erfelijke gegevens.
Alle zijn zij van dien aard dat de geldende termijnen van tien jaren worden
vervangen door een substantieel langer bewaarregime. Besluitvorming omtrent die
voorstellen, die ook recht zal doen aan alle hier aan de orde zijnde belangen,
vergt meer tijd dan de periode die rest tot 1 april 2005, het tijdstip waarop,
gelet op de overgangsbepaling van genoemd artikel IV, aan de bevoegdheid tot
bewaren van de daarbedoelde patiëntengegevens een einde komt. Daarom wordt, in
overeenstemming met de Gezondheidsraad, voorgesteld de termijn van tien jaren,
die voorkomt in artikel IV van de wet van 17 november 1994, Stb 837, in eerste instantie en
bij wijze van voorlopige maatregel te verlengen tot vijftien jaren. Het
wetsvoorstel voorziet er in dat aan deze wijziging zo nodig terugwerkende
kracht kan worden verleend. Verlenging met vijf jaren wordt ook voorgesteld ten
aanzien van de termijn van tien jaren in artikel 7:454, derde lid, BW. De verlenging
van de bewaartermijn heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten. Het
invoeren en bewaren van patiëntgegevens gebeurt in het overgrote deel van de
gevallen via computersystemen. De kosten voor het langer digitaal beschikbaar
houden van de gegevens zijn verwaarloosbaar.
Zie verder artikel II
onderscheidenlijk artikel I, onderdeel A, van het wetsvoorstel.
Het wetsvoorstel
strekt in de tweede plaats tot uitvoering van het voornemen van de toenmalige
ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om het
blokkeringsrecht van de keurling definitief te beperken tot keuringen in
verband met nog niet tot stand gekomen arbeidsverhoudingen en burgerrechtelijke
verzekeringen en tot keuringen voor opleidingen waarmee nog een aanvang moet worden
gemaakt. Het blokkeringsrecht, vervat in artikel artikel 7:464, tweede lid,
onder b, BW, is het recht dat degene die een keuring ondergaat, heeft, om na
kennis te hebben genomen van de uitslag van de keuring en de gevolgtrekking die
daaraan wordt verbonden, de doorgifte daarvan, bij voorbeeld aan de verzekeraar
of aan de uitkeringsinstantie, tegen te houden.
Aldus artikel I,
onderdeel B, van het wetsvoorstel (wijziging van artikel 7:464, tweede lid,
onder b, BW). Zie voor het voornemen tot wetswijziging nader de toelichting,
onder 4, op het Besluit van 13 maart 2000, houdende aanwijzing van situaties,
bedoeld in artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarvoor dit
artikel later dan met ingang van 1 mei 2000 (en wel op 1 mei 2005) in werking
zal treden (Stb. 121).
Ten slotte. In het
enig artikel, onder b, van eerder genoemd Besluit van 13 maart 2000 zijn
situaties vermeld, die betrekking hebben op handelingen op het gebied van de
geneeskunst die worden verricht in verband met de uitvoering van wettelijke
voorschriften op het terrein van de arbeidsomstandigheden, de sociale zekerheid
en de sociale voorzieningen, alsmede van pensioenregelingen en collectieve
arbeidsovereenkomsten.
Voor zover het betreft
de overeenkomstige toepassing in die situaties, van de artikelen 457 en 464,
tweede lid, onder b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is de
inwerkingtreding van artikel 7:464 BW nader bepaald op 1 mei 2005. Een en ander
is uitvoerig toegelicht in paragraaf 3 van de toelichting op het Besluit van 13
maart 2000: met dit uitstel tot 1 mei 2005 werd beoogd ruimte te scheppen om te
voorzien in formele wetgeving die een blijvende niet-toepasselijkheid van beide
wetsartikelen met betrekking tot genoemde beleidsterreinen bewerkstelligt. Deze
specifieke wetgeving zal evenwel niet voor 1 mei 2005 gereed zijn. Op de
beleidsterreinen waarvoor de overeenkomstige toepasselijkheid van beide
artikelen tot 1 mei 2005 is uitgesteld, hebben zich namelijk na 2000 vele en
ingrijpende beleidsontwikkelingen voorgedaan. Ook thans worden op deze
terreinen nog ingrijpende wetswijzigingen voorbereid.
Sedert 1 mei 2000
hebben zich overigens ook geen wezenlijke veranderingen voorgedaan ten aanzien
van de beleidsterreinen waarvoor in het Besluit van 13 maart 2000 een uitzondering
met betrekking tot de overeenkomstige toepasselijkheid van de artikelen 7:457
en 7:464, tweede lid, onder b, BW werd gemaakt. Het is daarom nog steeds nodig
om de overeenkomstige toepassing van die artikelen voor bedoelde
beleidsterreinen uit te zonderen. Het voornemen is dan ook – voor de tussentijd
en daarbij rekening houdend met de tijd die in de regel met de totstandbrenging
van wetgeving gemoeid is – een wijziging van het Besluit van 13 maart 2000 te
bevorderen, inhoudend een nader uitstel tot 1 mei 2010. Indien een formeel
wettelijke regeling op een vroeger tijdstip in werking kan zijn getreden, zal
het beoogde uitstel uiteraard eerder een einde nemen.
Bron:
MvT, TK 2004–2005,
30 049, nr. 3.
Bij wet van 17 november 1994 (Stb. 837) is het Burgerlijk Wetboek
(BW) gewijzigd in verband met de opneming van bepalingen omtrent de
overeenkomst tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst,
verder ook wel te noemen de Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO).
Deze wet is in werking getreden met ingang van 1 april 1995 (Stb. 1994, 845).
De WGBO bevat een aantal overgangsbepalingen. Een daarvan – artikel V – heeft
betrekking op de mogelijkheid van latere inwerkingtreding van artikel 464 van
Boek 7 BW.
De onderhavige maatregel van bestuur strekt tot uitstel van de
inwerkingtreding van een aantal bepalingen van de WGBO voor enige specifieke
situaties. Waarom dit uitstel nodig is gebleken wordt hierna in zijn
algemeenheid toegelicht, een specifieke toelichting volgt in de paragrafen 2,
3, en 4 van deze nota.
Artikel 7:464 BW verklaart afdeling 5 van titel 7 van boek 7 BW (de WGBO)
van overeenkomstige toepassing op handelingen die op het gebied van de
geneeskunst worden verricht in de uitoefening van een geneeskundig beroep of
bedrijf anders dan krachtens een behandelingsovereenkomst, voor zover de aard
van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Artikel V, tweede lid, bepaalt
dat artikel 7:464 in werking treedt met ingang van de eerste kalendermaand na
verloop van vijf jaren na inwerkingtreding van de WGBO, derhalve per 1 mei
2000. Dit met onder andere de volgende uitzondering: «tenzij bij algemene
maatregel van bestuur voor daarin aan te geven situaties, bedoeld in artikel
464, een eerder of later tijdstip van inwerkingtreding is bepaald.» (artikel V,
tweede lid onder a).
Voor handelingen omschreven in artikel 7:446 lid 5 BW (medische keuringen),
die worden verricht in verband met een beoogde arbeidsverhouding, een beoogde
burgerrechtelijke verzekering, dan wel de toelating tot een opleiding zijn de
artikelen van de WGBO met de inwerkingtreding daarvan reeds van toepassing
geworden (Artikel V, tweede lid, onder c).
De achtergrond van de van overeenkomstige toepassingverklaring van de WGBO
op situaties waarin in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf
anders dan krachtens een behandelingsovereenkomst handelingen op het gebied van
de geneeskunst worden verricht, is de volgende. De WGBO beoogt bescherming van
de rechten van de patiënt met dienovereenkomstige verplichtingen voor de arts
in de behandelingssituatie. Immers, in de behandelingssituatie bevindt de
patiënt zich in een afhankelijke positie die gelijkwaardige verhoudingen in de
weg kan staan.
Mensen worden evenwel niet zelden ook buiten een contractuele
behandelingssituatie betrokken bij handelen van artsen, al dan niet in het
kader van de uitvoering van wettelijke regelingen. Daarbij is, evenals bij een
behandelingsovereenkomst, veelal sprake van afhankelijkheid, mede omdat er een
zekere drang (of dwang) is om geneeskundige handelingen te ondergaan
bijvoorbeeld met het oog op aanspraken die afhankelijk zijn van de
gezondheidstoestand van betrokkene. Betrokkenheid bij handelen van een arts in
niet-contractuele situaties komt voor indien het betreft handelingen van
medische aard in het kader van de uitvoering van wettelijke voorschriften op
het terrein van de arbeidsomstandigheden, de sociale zekerheid en de sociale
voorzieningen, maar ook bijvoorbeeld bij ter beschikking gestelden en
gedetineerden. Een ander voorbeeld is de periodieke medische keuring indien
voor de functie bijzondere eisen moeten worden gesteld ten aanzien van de
medische geschiktheid. De beschermingsbehoefte waarvan de WGBO uitgaat is ook
aanwezig voor militairen, of in verband met medische keuringen met het oog op
het afsluiten van een privaatrechtelijke verzekering.
Ook in situaties waarin handelingen op het gebied van de geneeskunst worden
verricht, zonder dat een behandelingsovereenkomst aanwezig kan worden geacht,
is er derhalve behoefte aan bescherming van de positie van de consument
(patiënt). De van overeenkomstige toepassingverklaring van de WGBO-bepalingen
door artikel 7:464 BW strekt ertoe in die beschermingsbehoefte te voorzien.
Door af te zien van integrale inwerkingtreding op het moment van het van
kracht worden van de WGBO voor de hier bedoelde buitencontractuele situaties is
er evenwel destijds ruimte geschapen na te gaan of er situaties zijn waarin
hetzij
a. rechtstreeks uitzonderingen kunnen worden gemaakt op basis van het
criterium van artikel 7:464 lid 1 (dat wil zeggen: voor zover (en dus: omdat)
de aard van de rechtsbetrekking zich tegen toepasselijkheid verzet), hetzij
b. een regeling overeenkomstig de WGBO beter in specifieke wetgeving kan
worden neergelegd omdat voor wat betreft de overeenkomstige toepasselijkheid
van bepaalde artikelen van de WGBO toch uitzonderingen moeten worden gemaakt.
(MvT, kamerstukken II 1989/90, 21 561, nr. 3, p. 47).
Het betreft in de kern omstandigheden waarbij vrijwilligheid zich aan
medische handelingen te onderwerpen geheel of ten dele ontbreekt omdat er een
feitelijke of juridische verplichting is zich aan die handelingen te onderwerpen.
a. In de eerst bedoelde situaties (overeenkomstige toepassing van de WGBO,
voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daar tegen niet verzet) gaat
het om een situatie waarin medische handelingen plaatsvinden en de WGBO
overigens volledige toepassing kan krijgen. Een voorbeeld hiervan is de
medische zorg voor en aan militairen. Naast bestaande wettelijke verplichtingen
met het oog op operationele inzetbaarheid kan er in voorkomend geval mee worden
volstaan terug te vallen op het criterium voor zover de aard van de
rechtsbetrekking zich niet verzet tegen overeenkomstige toepassing van de WGBO.
Een ander voorbeeld van een situatie waarin de aard van de rechtsbetrekking
zich verzet tegen overeenkomstige toepassing, genoemd door Gevers (De WGBO, van
tekst naar toepassing, 1998, p. 117 ev), is het optreden van de arts als
getuige-deskundige, in welk geval artikel 7: 460 BW (behoudens gewichtige
redenen kan de arts de behandelingsovereenkomst niet opzeggen) geen betekenis
heeft.
b. Voor de tweede hiervoor bedoelde situaties, waar de wet zich onvoldoende
leent voor volledige overeenkomstige toepassing, strekt Artikel V WGBO ertoe
ruimte te bieden om, voor zover dit nodig is naast al reeds bestaande
wetgeving, een afzonderlijke wettelijke regeling te treffen.
Er zijn overigens reeds voorbeelden van situaties waarin de wetgeving al
van de WGBO afwijkende bepalingen bevat. Een daarvan is die met betrekking tot
het medisch handelen bij infectieziektebestrijding (Infectieziektenwet).
Evenals bij de Wet BOPZ geldt ook voor deze wet dat de WGBO aanvullend werkt.
Ook de wet op de medische keuringen kan genoemd worden als een lex specialis
ten opzichte van de WGBO. Een ander voorbeeld is het verplichte bloedonderzoek
ingevolge artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994.
Andere specifieke situaties waar op onderdelen aparte rechtbescherming
aangewezen is liggen op het terrein van sociale verzekeringen, bij geneeskundig
onderzoek van werknemers bijvoorbeeld om na te gaan of terecht aanspraak op
loon wordt gemaakt, bij ter beschikking gestelden en gedetineerden. Voor die
situaties is inmiddels bezien in hoeverre naast de al aanwezige, van de WGBO
afwijkende regelingen en tot stand gekomen zelfregulering, aparte wetgeving
noodzakelijk is. Dit blijkt inderdaad het geval te zijn.
In het hierna volgende wordt beredeneerd aangeven waarom bepaalde artikelen
van de WGBO vanaf 1 mei 2000 zonder bezwaar van overeenkomstige toepassing
kunnen zijn. Voor een aantal andere bepalingen, waar zulks op problemen zou
stuiten, bevat het besluit een voorziening:
de inwerkingtreding van artikel 7:464 BW wordt, voor wat betreft de
WGBO-bepalingen die niet zonder bezwaar overeenkomstig kunnen worden toegepast,
verder uitgesteld.
Aan een aantal van de situaties waarvoor de onderhavige algemene maatregel
van bestuur een regeling bevat ligt ten grondslag het gegeven dat wetgeving
momenteel in behandeling is bij de Staten-Generaal. Dit betreft met name het
voorstel van Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) (kamerstukken I 1999/2000,
25 892, nr. 92), hetwelk in nauw verband staat met de WGBO voor wat betreft de
omgang met medische persoonsgegevens. Met de in de WBP opgenomen bepalingen
inzake gevoelige gegevens zal, zoals hierna nog wordt aangegeven, de situatie
ten aanzien van de van overeenkomstige toepassing verklaring aanmerkelijk
anders komen te liggen dan in 1995 het geval was. Ook kan nog genoemd worden
het wetsvoorstel Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (kamerstukken II
1997/98, 26 016, nrs. 1–3 (e.v.)).
Ten slotte. Voor bestaande arbeidsverhoudingen en burgerrechtelijke
verzekeringsovereenkomsten en voorts voor keuringen gedurende opleidingen, die
bepalend kunnen zijn voor de vraag of de opleiding mag worden voortgezet, wordt
de inwerkingtreding van artikel 7:464 BW eveneens verder uitgesteld. Het ligt
in de bedoeling om de werking van lid 2 onder b van dit artikel voor wat
betreft de handelingen bedoeld in artikel 7:446 lid 5 BW, die nu beperkt is tot
de situaties, bedoeld in artikel V, tweede lid onder c, ook na 1 mei 2000
blijvend te beperken tot beoogde arbeidsverhoudingen en burgerrechtelijke
verzekeringen alsmede tot de toelating tot een opleiding. Daarvoor is echter
formele wetgeving nodig. <
Zie verder de toelichting op onderdeel c van het enig artikel, in paragraaf
4 van de nota van toelichting.
De conclusie uit het voorgaande is, dat de overeenkomstige toepassing van
de artikelen 7:457 en 7:464, tweede lid, onderdeel b, wat betreft handelingen
op het gebied van de geneeskunst die worden verricht in verband met de
uitvoering van wettelijke voorschriften op het terrein van de
arbeidsomstandigheden, de sociale zekerheid, de sociale voorzieningen alsmede
van pensioenregelingen en collectieve arbeidsovereenkomsten, verder moet worden
uitgesteld. Dit gebeurt in onderdeel b van het enig artikel van de voorliggende
algemene maatregel van bestuur.
Zoals in paragraaf 1 van deze toelichting reeds is aangegeven, hangt het
wetsvoorstel WBP wat betreft de omgang met medische gegevens nauw samen met de
WGBO. Het wetsvoorstel WBP bevat regels omtrent de «verwerking» van
persoonsgegevens. Onder «verwerking» valt onder meer het verstrekken van deze
gegevens aan derden (zie de definitie van «verwerken» in artikel 1, onderdeel
b, WBP). Wat betreft de verwerking van medische gegevens bevat de WBP een
aantal specifieke regels.
Allereerst is in artikel 16 WBP een algemeen verbod om persoonsgegevens
betreffende iemands gezondheid te verwerken opgenomen. Daarbij moet overigens
worden bedacht, dat het begrip «gegevens omtrent iemands gezondheid» in de WBP
een veel ruimere strekking heeft dan het begrip «inlichtingen over de patiënt»
in de WGBO: krachtens de WBP is de loutere mededeling dat iemand ziek is of
bijvoorbeeld een WAO-uitkering heeft, al een gegeven betreffende iemands
gezondheid. In artikel 21, eerste lid, WBP wordt op het verwerkingsverbod van
artikel 16 WBP vervolgens een uitzondering gemaakt voor aldaar opgesomde
personen of instellingen, voor zover die verwerking noodzakelijk is voor een
goede uitoefening van (onderdelen van) hun taken of verantwoordelijkheden. (Ook
artikel 23 WBP kent overigens uitzonderingen op artikel 16 WBP; hiervan wordt
in het hiernavolgende geabstraheerd). Op grond van onderdeel e van het eerste
lid van artikel 21 WBP, zullen onder meer Arbo-diensten, uvi’s, de SVb,
gemeenten, pensioenfondsen en instellingen die collectieve
arbeidsovereenkomsten uitvoeren, persoonsgegevens betreffende iemands
gezondheid mogen verwerken. Daarnaast zullen op grond van onderdeel b
(particuliere) verzekeraars dergelijke gegevens mogen verwerken. Het vijfde lid
van artikel 21 WBP schept de mogelijkheid bij algemene maatregel van bestuur
nadere regels te stellen omtrent de toepassing van artikel 21, eerste lid,
onderdelen b en e, WBP.
Van deze mogelijkheid zal gebruik worden gemaakt. De ruimte die artikel 21,
eerste lid, onderdelen b en e, WBP de daar genoemde personen en instanties
geeft om gezondheidsgegevens te verwerken en derhalve ook over en weer te
verstrekken, is gezien het huidige beleid namelijk te groot. In eerdergenoemde
algemene maatregel van bestuur zal deze ruimte dan ook worden ingeperkt.
Daarbij zal de huidige situatie, zoals geregeld bij en krachtens diverse wetten
en beleidsdocumenten (waaronder de in het voorgaande genoemde documenten van het
Lisv en de KNMG), het uitgangspunt vormen.
Op zich zou het mogelijk zijn het verdere uitstel van de overeenkomstige
toepassing van artikel 7:457 zoals dat in onderdeel b van het enige artikel van
de onderhavige amvb wordt geregeld, te laten vervallen op het moment dat de
algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 21, vijfde lid, WPB, in
werking treedt. Laatstgenoemde amvb kan immers gezien worden als een lex
specialis als bedoeld in de derde volzin van het eerste lid van artikel 7:457,
zodat er geen onduidelijkheid meer zou bestaan over de vraag wat voor zou gaan:
artikel 7:457 of de regels in laatstgenoemde amvb. Echter, er zou dan nog wel
onduidelijkheid kunnen bestaan over de verhouding tussen de regels in deze amvb
en de regels die in de (formele) wetgeving van SZW – denk bijvoorbeeld aan
eerdergenoemde OSV 1997 – zijn opgenomen over het verstrekken van gegevens aan
derden. Dit zou vervolgens wederom tot onduidelijkheid leiden over de
verhouding van het alsdan van overeenkomstige toepassing geworden artikel 7:457
en de regels in de SZW-wetgeving.
Om dergelijke onduidelijkheden te voorkomen, wordt beoogd het uitstel van
de overeenkomstige toepassing van artikel 7:457 te laten vervallen op het
moment dat via een wetswijziging in formele zin de SZW-wetgeving zo zal zijn
gewijzigd, dat deze bij die op artikel 21 WBP te treffen algemene maatregel van
bestuur aansluit. Aangezien dergelijke wetgeving in formele zin – net als de
algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 21 WBP – nog moet worden
opgesteld, kan wat betreft het noemen van het tijdstip waarop het verdere
uitstel van artikel 7:457 komt te Staatsblad 2000 121 25.vervallen, niet worden
aangesloten bij de inwerkingtredingdatum van zo’n voorstel. Daarom wordt in
onderdeel b van het enig artikel van onderhavige algemene maatregel van bestuur
voorgesteld de overeenkomstige toepassing van artikel 7:457 voor eerdergenoemde
sectoren nog eens met vijf jaar (dus tot 1 mei 2005) uit te stellen. Dat doet
er uiteraard niet aan af dat ernaar gestreefd wordt bovengenoemde regelgeving
eerder tot stand te brengen en daarmee dus eerder helderheid te creëren over de
vraag wanneer eerdergenoemde personen en instellingen onder welke voorwaarden
gegevens omtrent de gezondheid mogen verstrekken.
Ook het verdere uitstel van het blokkeringrecht op eerdergenoemde sectoren
zal gelden tot 1 mei 2005. Voor die datum zal door middel van wetgeving in
formele zin (aanpassing van het betreffende artikel van de WGBO en zonodig ook
van de SZW-wetgeving) de structurele reikwijdte van het blokkeringrecht worden
geregeld.
4. Bestaande arbeidsverhoudingen en burgerrechtelijke verzekeringen in
relatie tot medische keuringen
Artikel V, tweede lid, onder c, van de WGBO brengt met zich dat de WGBO met
ingang van 1 april 1995 van overeenkomstige toepassing is op handelingen
omschreven in artikel 7:446 lid 5 BW, die worden verricht in verband met een
beoogde arbeidsverhouding, een beoogde burgerrechtelijke verzekering of de toelating
tot een opleiding. Zoals ook uit de toelichtende parlementaire stukken bij de
WGBO blijkt (kamerstukken II 1991/92, 21 561, nr. 11, blz. 13 en 14, en nr. 15,
blz. 14) is er indertijd bewust voor gekozen de WGBO nog niet overeenkomstig
van toepassing te laten zijn in ieder geval op lopende arbeidsverhoudingen en
lopende burgerrechtelijke verzekeringen. De reden daarvoor was, dat met name
het in artikel 7:464 lid 2 onder b neergelegde blokkeringrecht in geval van
keuringen gedurende de arbeidsverhouding of de burgerrechtelijke verzekering
tot problemen zou kunnen leiden. Wat betreft de arbeidsverhouding zou zo’n
recht er namelijk toe kunnen leiden dat degene die volgens de keuringsarts
geheel of gedeeltelijk zou moeten stoppen met werken, onder gebruikmaking van
zijn recht om de resultaten van het onderzoek niet aan zijn werkgever of
opdrachtgever door te geven, toch onverminderd zou kunnen blijven doorwerken.
Daarmee zou hij een gevaar voor zichzelf of voor derden kunnen opleveren. Wat
betreft de burgerrechtelijke verzekering geldt, dat een blokkeringrecht
gedurende de looptijd van zo’n verzekering ertoe zou kunnen leiden dat de
verzekeraar niet in staat zou zijn het uitkeringspercentage aan te laten
sluiten op de werkelijke mate van arbeidsongeschiktheid.
Een nadere bestudering van de gevolgen van het alsnog van overeenkomstige
toepassing worden van de WGBO op lopende arbeidsverhoudingen en
burgerrechtelijke verzekeringen, heeft tot de conclusie geleid dat het
blokkeringrecht om eerdergenoemde redenen ook in den vervolge niet van
toepassing dient te zijn op deze gevallen. Voor de arbeidsverhoudingen kan hier
nog als extra reden aan worden toegevoegd dat aangenomen kan worden dat degene
die werk heeft aanvaard waarvoor periodieke medische keuring een voorwaarde
vormt (denk bijvoorbeeld aan het aanvaarden van werk als stuurman op een schip,
hetgeen een periodieke beoordeling van gehoor en gezichtsvermogen met zich
brengt) bij die aanvaarding er ook impliciet mee akkoord is gegaan dat de
uitslag en de gevolgtrekking van deze keuringen aan zijn werk- of opdrachtgever
worden doorgegeven.
Wat betreft de burgerrechtelijke verzekeringen wordt nog gewezen op artikel
7.17.1.14 van het bij koninklijke boodschap van 16 mei 1986 ingediende voorstel
van Wet tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente)
van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (kamerstukken II, 1985/86, 19 529 nrs. 1–3).
Krachtens het tweede lid van dat artikel zijn de verzekeringnemer en de
uitkeringsgerechtigde verplicht binnen redelijke termijn de verzekeraar alle
inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor deze van belang zijn om zijn
uitkeringsplicht te beoordelen. Het van toepassing worden van een
blokkeringrecht op lopende burgerrechtelijke verzekeringen zou haaks staan op de
strekking van deze bepaling. Een zelfde bezwaar bestaat, indien iemand die tot
een opleiding is toegelaten, en gedurende die opleiding in verband daarmee een
medische keuring moet ondergaan welke voor een verder mogen vervolgen van de
opleiding van belang is, de uitslag en de gevolgtrekking daarvan zonder enige
consequentie voor zich zou kunnen houden.
Gelet op het voorgaande wordt in onderdeel c van het enig artikel van de
onderhavige algemene maatregel van bestuur voorgesteld de overeenkomstige
toepassing van artikel 7:464, tweede lid, onder b, BW op tot stand gekomen
arbeidsverhoudingen en burgerrechtelijke verzekeringen alsmede op opleidingen
waartoe een persoon reeds is toegelaten, met een termijn van vijf jaar uit te
stellen. Het voornemen bestaat gedurende deze termijn de WGBO zo te wijzigen,
dat het blokkeringrecht straks uitsluitend zal zien op handelingen omschreven
in artikel 446 lid 5 die worden verricht in verband met een beoogde
arbeidsverhouding, een beoogde burgerrechtelijke verzekering dan wel de
toelating tot een opleiding.
Bron: NvT bij Besluit van 13 maart 2000, houdende aanwijzing van situaties,
bedoeld in artikel 464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarvoor dit
artikel later dan met ingang van 1 mei 2000 in werking zal treden, Stb. 2000, 121.