Wet van 3 april 2003 tot vaststelling van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte, Stb. 2003, 206;

Iwtr.: 1 december 2003 (Besluit van 11 augustus 2003, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte,
Stb. 2003, 329).


De Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte
"Het voorliggende wetsvoorstel heeft tot doel discriminatie vanwege handicap of chronische ziekte te bestrijden en gelijke behandeling van mensen met een handicap of chronische ziekte te bevorderen. Dit wetsvoorstel beperkt zich tot arbeid, beroep en beroepsopleidingen.

Mensen met een handicap of chronische ziekte verkeren in vergelijking met niet-gehandicapte mensen veelal in een ongunstige positie. Onderzoek laat zien dat mensen in diverse situaties op grond van hun handicap anders worden behandeld dan in het algemeen verwacht zou worden, wanneer zij die handicap niet zouden hebben.
Met name op het terrein van de arbeid blijkt discriminatie relatief vaak voor te komen. Maar ook op andere maatschappelijke terreinen worden gehandicapten of chronische zieken geconfronteerd met een oordeel over hun kunnen gebaseerd op stereotypen of vooroordelen en niet op realiteit.
Ook geven jaarverslagen van de Commissie gelijke behandeling (Cgb) aan dat mensen regelmatig klachten over discriminatie op grond van handicap hebben en zich hiermee tot de Cgb wenden met vragen, terwijl de Cgb nu nog geen bevoegdheden heeft op dit terrein. Discriminatie kan op verschillende manieren voorkomen.

Zo kan het gebeuren dat aan mensen met een handicap of chronische ziekte op grond van hun handicap of ziekte deelname aan bepaalde maatschappelijke activiteiten wordt geweigerd. Ook komt het voor dat in het geheel geen rekening wordt gehouden met de beperking, waardoor bepaalde voorzieningen of maatschappelijke processen niet toegankelijk zijn voor gehandicapten ook al is dat niet zo bedoeld. Voor mensen met een handicap of chronische ziekte kan een kleine aanpassing soms voldoende zijn om op dezelfde wijze dingen te kunnen doen als niet-gehandicapten.

Het nalaten van een dergelijke aanpassing is een vorm van onderscheid maken waarmee gehandicapten en chronisch zieken veelvuldig geconfronteerd worden. Discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte dient krachtig bestreden te worden; een wettelijk verbod vormt een van de instrumenten hiertoe.

Artikel 1 van de Grondwet beoogt discriminatie in de Nederlandse samenleving tegen te gaan. Uit het gelijkheidsbeginsel vloeit voort dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld en ongelijke gevallen ongelijk naar de mate van ongelijkheid. Dit wetsvoorstel vormt een uitwerking van deze grondwettelijke gelijkheidsnorm, zoals ook voor andere gronden de gelijkebehandelingsnorm door middel van wetgeving is geconcretiseerd. Voor de grond handicap en chronische ziekte expliciteert dit wetsvoorstel het gelijkheidsbeginsel op een aantal maatschappelijke terreinen, formuleert uitzonderingsgronden en geeft handhavingsmogelijkheden aan.

Voor die terreinen die vooralsnog niet onder dit wetsvoorstel vallen blijft vanzelfsprekend wel de norm van artikel 1 van de Grondwet van toepassing. Deze norm werkt ook tussen burgers onderling.

De regering wil met dit wetsvoorstel discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte tegengaan. Daarnaast voert zij actief beleid om te stimuleren dat mensen met een handicap of chronische ziekte gelijke kansen hebben om zich te ontplooien en aan de samenleving deel te nemen. Het samenspel tussen voorzieningenbeleid en rechtsbescherming tegen discriminatie moet bijdragen aan een gelijkwaardige participatie in de samenleving."

Bron: MvT, TK 2001-2002, 28 169, nr. 3.

Top
Terug naar: Wetgeving.
Latest update: 29 oktober 2006.
Home