Wet van 4 december 1997, houdende regelen met betrekking tot de organisatie van de bloedvoorziening
(Wet inzake bloedvoorziening),
Stb. 1997, 645;


Iwtr.: 1 januari 1998 (Artikel 27).


Uit bloed bereide producten zijn een onmisbaar facet van de moderne geneeskunde geworden. Het is van vitaal belang de veiligheid van en de voorziening met bloed te verzekeren.

Sinds het prille begin (1930) van de transfusiegeneeskunde in Nederland is de bloedvoorziening gebaseerd op privaatrechtelijke structuren. In 1961 werd wettelijke regeling met betrekking tot menselijk bloed en de uit bloed bereide producten wenselijk geacht, overeenkomstig hetgeen in de praktijk reeds plaatsvond vanwege de bloedtransfusiedienst van het Rode Kruis. Deze Wet op menselijk bloed had -naast het bieden van bescherming aan de bloedgevers en patiënten- tot doel de handel in en het oneigenlijke gebruik van menselijk bloed en de uit bloed bereide producten uit te sluiten.

Wetenschappelijke ontwikkelingen, maar zeker ook organisatorische ontwikkelingen binnen de bloedtransfusiedienst, noopten tot aanpassing van de beschreven opzet in de Wet op menselijk bloed. Door middel van de Wet inzake bloedtransfusie van 8 november 1988 werd weer aansluiting gevonden bij de praktijksituatie. Tevens werden de uitgangspunten van "zelfvoorziening" en "non-commercie" wettelijk verankerd. In het kader van de Wet inzake bloedtransfusie kende de Nederlandse bloedvoorziening de regionale stichtingen "Rode Kruis Bloedbank" en het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst van het Nederlandse Rode Kruis (hierna te noemen: CLB). Het bij wet ingestelde College voor de bloedtransfusie van het Nederlandse Rode Kruis (hierna te noemen: College voor de bloedtransfusie) moest zorg dragen voor de inbreng van de verschillende maatschappelijke groeperingen in de ontwikkeling van een landelijk beleid, waardoor vraag en aanbod met elkaar in overeenstemming moesten worden gebracht.

Reeds vóór de inwerkingtreding van de Wet inzake bloedtransfusie werden vanaf begin jaren '80 verschillende rapporten opgesteld waarin werd aangedrongen op een betere samenwerking tussen de Rode Kruis Bloedbanken (hierna te noemen: NRK-bloedbanken) en het CLB. Aanleiding was doorgaans de onvolkomen afstemming van de activiteiten op het terrein van de bloeddonatie (plasmawinning) tussen de beide partijen. In de notitie "Herstructurering van de bloedvoorziening in Nederland" als bijlage bij de brief aan de Tweede Kamer d.d. 12 juli 1996 (Kamerstukken II 1995/96, 24 400-XVI, nr. 92) is daaraan gerefereerd. Ook werden organisatorische knelpunten in kaart gebracht in met name de rapporten van Twijnstra Gudde (1992) en van Prof. Koopmans (1995). Beide rapporten tendeerden naar een meer centrale aansturing van de Nederlandse bloedvoorziening.

In genoemde notitie werd vervolgens geconcludeerd dat "de tijd rijp is om daadwerkelijk over te gaan tot één centraal aangestuurde organisatie voor de bloedvoorziening". Voorts werd het wenselijk geacht "deze organisatie onder verantwoordelijkheid van de overheid te brengen". Die wijziging onderstreept de verantwoordelijkheid van de overheid voor de kwaliteit, veiligheid en beschikbaarheid van bloed en bloedproducten.

In de notitie van 14 februari 1997 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer inzake de nadere uitwerking van de herstructurering van de bloedvoorziening (Kamerstukken II 1996/97, 25 000-XI, nr. 52) zijn drie thema's genoemd die centraal staan in de opzet voor de landelijke organisatie:

  • Landelijke zelfvoorziening met vrijwillig en om niet gegeven bloed dat zonder winstoogmerk bewerkt en geleverd wordt, onder hoge eisen aan veiligheid, doelmatigheid en kwaliteit;
  • De ministeriële verantwoordelijkheid via handhaving, bestuurlijk toezicht en de mogelijkheid in te grijpen wanneer de organisatie in gebreke blijft;
  • Een landelijke organisatie die onder centraal gezag in een goede relatie met haar maatschappelijke context en met een goede interne organisatie voldoet aan haar opdracht.
De Wet inzake bloedvoorziening strekt er met name toe die uitgangspunten en de resultaten van de herstructurering wettelijk te verankeren en vervangt de Wet inzake bloedtransfusie van 8 november 1988.

Bron: MvT, TK 1997-1998, 25 649, nr. 3.


Top


Bij brief van 28 september 2000, TK 2000-2001, 27 436, presenteert de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met het Ministerieel Plan Bloedvoorziening 2001 haar beleidsvisie inzake de Nederlandse bloedvoorziening voor het volgende jaar. Tevens geeft zij de zorginhoudelijke en financiële kaders aan waarbinnen de uitvoeringsorganisaties van de bloedvoorziening dienen te opereren, conform artikel 2 van de Wet inzake bloedvoorziening (Wibv). Het uitgangspunt van dit plan is dat de aangewezen landelijke organisatie streeft naar landelijke zelfvoorziening met vrijwillig en om niet gegeven bloed dat zonder winstoogmerk bewerkt en geleverd wordt. Ten behoeve van zodanige voorziening dient de organisatie te voldoen aan hoge eisen van veiligheid, doelmatigheid en kwaliteit.

Zie ook: brief minister met standpunt inzake advies 'Variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob en bloedtransfusie' (Gezondheidsraad):
TK 2000-2001, 27 400 XVI, nr. 83.


Top


Europese Unie
Om te voorkomen dat door de EU interne markt het betalen in ruil voor het afstaan van bloed eerder regel dan uitzondering wordt, met alle potentiële risico’s van dien, moet de minister er zorg voor dragen dat het onderwerp «donatie om niet» op de Europese agenda blijft. De minister zou het initiatief moeten nemen om die veiligheidseisen die in individuele lidstaten gelden en ook voorwaarde zijn voor invoer van bloed(producten), zonder dat de eisen wetenschappelijk aantoonbaar bijdragen aan de veiligheid op korte termijn in Europees verband, kritisch tegen het licht te doen houden.

Het principe van «donatie om niet» is de Wibv verankerd. Nederland is van mening dat het wetenschappelijk bewezen is dat dit bijdraagt aan een veilige bloedvoorziening. Ook na de implementatie van de Europese richtlijn inzake de kwaliteit en veiligheid van bloed en bloedbestanddelen (2002/98/EG) zal dit een bindend principe blijven in de nationale wetgeving.

Overigens acht ik de kans klein dat betaalde bloeddonatie regel wordt in Europa. Nederland was voorstander van het principe van onbetaalde donatie bij het opstellen van de richtlijntekst. Lidstaten moeten volgens de richtlijn onbetaalde donaties stimuleren zodat donaties zoveel mogelijk onbetaald zijn. Daarbij moeten de lidstaten aan de Commissie rapporteren hoe zij dit gestalte geven binnen de landsgrenzen.

VWS is, in samenwerking met Sanquin, in Europees verband zeer actief op het gebied van veiligheid en kwaliteit van bloed(producten). Dit geldt voor zowel de Europese Unie als de Raad van Europa.

Tenslotte is het principe van onbetaalde donatie ook weer o.a. door Nederland aan de orde gesteld tijdens de besprekingen rond de richtlijn weefsels en cellen. In dat geval moeten lidstaten zich inspannen om er zeker van te zijn dat de donaties onbetaald zijn. Ook hier zijn de lidstaten verplicht de Commissie hierover te informeren.

Bron: BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 27 februari 2004, TK 2004, 29 447, nr. 1.


Top


Evaluatie Wet inzake bloedvoorziening
Ingevolge artikel 25 van de Wet inzake bloedvoorziening dient die wet voor 2003 te zijn geëvalueerd op de doeltreffendheid en doelmatigheid.
Deze termijn bleek niet haalbaar. U bent hierover eerder per brief geïnformeerd (kamerstuk 28 000-XVI, nr. 114, 15 april 2002). Het rapport is inmiddels verschenen en is in november 2003 naar de Tweede Kamer gestuurd. (VWS03-1572, 7 november).

Bij deze stuur ik u mijn standpunt op de evaluatie van de Wet inzake bloedvoorziening. Ik deel de mening van de onderzoekers dat de Wibv goed functioneert en dat deze in de kern niet hoeft te worden gewijzigd.

Bron: Brief minister VWS met zijn standpunt op de evaluatie van de Wet inzake bloedvoorziening, 27 februari 2004, TK 2003–2004, 29 447, nr. 1.

Noot: In afwijking van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening (WOG) ziet de Wet inzake bloedvoorziening niet expliciet toe op de kwaliteit van medische (bloed)producten. Door regelgeving ten aanzien van de uitgangspunten voor en de structuur van de voorziening met bloed, plasma of bloedcellen, worden impliciet waarborgen geschapen voor doeltreffendheid en doelmatigheid van de voorziening.

Top
Terug naar: Wetgeving.
Latest update: 29 oktober 2006.
Home