Wet van 24 oktober 1997, houdende regels betreffende bijzondere verrichtingen op het gebied van de gezondheidszorg,
Stb. 1997, 515

Iwtr.: 14 november 1997.


"2. WBMV in het kort
De WBMV is op 24 oktober 1997 (Stb. 1997, 515) vastgesteld en op 14 november 1997 van kracht geworden. Het instrumentarium van de wet omvat momenteel drie systemen:
- regulering door verbod behoudens vergunning (art. 2);
- regulering door algeheel verbod (art. 3);
- regulering door financiële ondersteuning (art. 8).

Er zijn thans elf bijzondere medische verrichtingen aangewezen, waarvoor een vergunning is voorgeschreven. De nadere regelgeving hiervan is opgenomen in acht planningsbesluiten. Daarnaast zijn er twee bijzondere medische verrichtingen waarvoor een algeheel verbod geldt. Op grond van artikel 8 zijn er zes bijzondere medische verrichtingen aangewezen waarvoor een financiële ondersteuning geldt.

De huidige ontwikkelingen in de gezondheidszorg hebben tot gevolg dat zelfregulering steeds meer het uitgangspunt wordt. Dit geldt dus ook voor de WBMV, in het bijzonder wanneer het gaat om de toepassing van artikel 8. Toepassing van de WBMV is een optie mocht blijken dat:
- zelfregulering niet tot stand komt;
- zelfregulering tot maatschappelijk of ethisch ongewenste ontwikkelingen leidt;
zelfregulering niet op een kwalitatief verantwoorde wijze tot stand komt;
- de organisatie die door zelfregulering tot stand is gekomen tot ongewenste stijging van de kosten van de zorg, uitsluiting van groepen leidt etc.”

Bron: BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 12 juli 2002, TK 2001–2002, 28 480, nr. 1.


Top


Wet gewijzigd bij:


Wet van 5 juli 2000 tot wijziging van de Wet op bijzondere medische verrichtingen en enige andere wetten,
Stb. 2000, 359,

Iwtr.: 1 januari 2001 (art. IV);


En bij:


Wet van 16 mei 2002, houdende wijziging van de Wet op bijzondere medische verrichtingen betreffende invoering van een verbod op xenotransplantatie,
Stb. 2002, 263;

Iwtr.: 1 augustus 2002 (Besluit van 5 juli 2002, houdende inwerkingtreding van de Wet van 16 mei 2002, Stb. 263, houdende wijziging van de Wet op bijzondere medische verrichtingen betreffende invoering van een verbod op xenotransplantatie, Stb. 2002, 364).


1. Inleiding
Sinds de jaren tachtig heeft de regulering van bijzondere voorzieningen, in de wandeling veelal «topklinische zorg» genoemd, op grond van artikel 18 van de Wet ziekenhuisvoorzieningen (WZV) een vaste plaats gekregen in de Nederlandse gezondheidszorg. De kern van deze regulering is dat door middel van een vergunningensysteem een wat betreft omvang en lokaties beheerste introductie plaatsvindt van daartoe aangewezen medische verrichtingen.

Over het door de overheid te voeren beleid terzake zijn in verschillende stukken uitspraken gedaan. Zo is in het Regeerakkoord1 opgenomen dat de aanbodplanning van topklinische zorg tot de taak van de overheid zal blijven behoren. Voorts is in de Nota modernisering curatieve zorg van 23 juni 19952 als regeringsstandpunt aangegeven dat aparte regulering van bijzondere functies – bijvoorbeeld topklinische zorg – wenselijk is om uiteenlopende redenen zoals het waarborgen van kwaliteit, doelmatigheid en gepast gebruik, mede gezien medisch-ethische en maatschappelijke aspecten. Ten slotte is in de Beleidsbrief medische technology assessment neergelegd dat een bepaalde mate van centrale aansturing van bijzondere medische technologieën past in het beleid, gericht op doelmatigheid van zorg.

Met dit wetsvoorstel wordt beoogd het wettelijke kader met betrekking tot de bijzondere voorzieningen zodanig te moderniseren dat aan het bovenstaande uitvoering kan worden gegeven. Aldus worden, mede door de combinatie met de ontwikkelingsgeneeskunde en een regeling van een in de praktijk bestaand stimuleringsbeleid, gericht op medische verrichtingen die zich onderscheiden door bijzondere aspecten, verschillende ontwikkelingen van de afgelopen jaren in deze wet bij elkaar gebracht.


3. De omvang van het instrumentarium
Het wetsvoorstel bevat op hoofdlijnen drie blokken: ten eerste een verbodssysteem, vergelijkbaar met het huidige artikel 18 WZV, aangevuld met een nuloptie en een moratorium, ten tweede een begunstigingssysteem voor ontwikkelingsgeneeskunde, vergelijkbaar met het huidige artikel 18c WZV, en ten derde een begunstigingsstelsel voor bijzondere aspecten van verrichtingen waarvoor een vergunningensysteem niet nodig is. Ook met het laatstgenoemde blok wordt aangesloten bij de WZV, en wel bij een voor enkele voorzieningen bestaande praktijk op basis van de richtlijnen op grond van artikel 3 van die wet. Met deze drie systemen wordt een compleet instrumentarium bij elkaar gebracht, dat mogelijkheden biedt om specifiek waar en wanneer dat nodig is, op maat, te reguleren.

Wat betreft het verbodsstelsel het volgende. Het verbodsstelsel van artikel 18 WZV is in de praktijk de enige effectieve mogelijkheid gebleken om in voorkomende gevallen concentratie van bijzondere medische voorzieningen af te dwingen. Het betreft medische technologie waarvan het belang voor de instellingen om verschillende redenen te groot is om vrijwillig van toepassing af te zien; met name speelt hier de competitie tussen instellingen een rol. Een vergelijking met andere landen op het punt van de regulering van bijzondere voorzieningen bevestigt dit beeld.

Met de in paragraaf 2 aangestipte wijziging van de WZV, waarbij de regulering van bijzondere voorzieningen in eerste instantie in handen van de minister werd gelegd, is de slagvaardigheid op dit punt aanzienlijk toegenomen. Ook uit de terzake uitgebrachte adviezen komt met name de wenselijkheid van een slagvaardig optreden naar voren. Daarom wordt voorgesteld het initiatief tot het stellen van een verbod op het uitvoeren van bepaalde verrichtingen zonder vergunning op grond van «gewichtige belangen» te houden bij de minister, en deze ook de bevoegdheid te geven, een beperking op die uitvoering aan te brengen in verband met een ontwikkelingsgeneeskundig project. Voor een meer ingrijpende regulering, in de vorm van een nul-optie of een moratorium, wordt het ministerieel niveau te laag geacht; uit zorgvuldigheidsoogpunt ligt hiervoor een algemene maatregel van bestuur in de rede.

In alle gevallen is de regulering van tijdelijke aard: voortzetting van het vergunningvereiste na uiterlijk vier jaar kan slechts bij algemene maatregel van bestuur plaatsvinden; de nul-optie dient zo spoedig mogelijk te worden gevolgd door een wetsvoorstel; het moratorium vervalt twee jaar na vaststelling; het aan een ontwikkelingsgeneeskundig project verbonden verbod geldt slechts voor de duur van dat project plus één jaar dat nodig is voor de evaluatie ervan.

De financiële begunstiging kent twee stelsels: in de eerste plaats dat van de ontwikkelingsgeneeskundige projecten, in de tweede plaats een stelsel met betrekking tot (bijzondere aspecten van) verrichtingen waarvoor een verbod te zwaar wordt geacht maar enige sturing gewenst is. In beide gevallen worden de keus voor de te ondersteunen verrichting en de mate van de ondersteuning onderbouwd door een beleidsvisie.

Wat betreft het begunstigingssysteem voor bijzondere aspecten van verrichtingen het volgende. Het systeem is vergelijkbaar met dat van de ontwikkelingsgeneeskunde, dat de mogelijkheid biedt door het financieel ondersteunen van de uitvoering van bepaalde verrichtingen daaraan enige sturing te geven. Zo’n systeem kan voorzien in de soms gevoelde behoefte aan enige overheidsinvloed op het uitvoeren van een bijzondere verrichting zonder dat daartoe direct het zware middel van het vergunningsvereiste wordt toegepast.

In de afgelopen jaren is een praktijk gegroeid waarbij instellingen worden aangewezen, die een financiële stimulans ontvangen om aan een bijzondere medische verrichting of bepaalde aspecten daarvan extra aandacht te geven. Aldus werd een geconcentreerde opbouw van kennis en ervaring rond een bepaalde verrichting opgebouwd waarvan andere centra kunnen profiteren (AIDS, pijnbehandeling). Zonder een dergelijke steun is de kans groot dat zo’n functie versnipperd wordt uitgevoerd en slechts traag tot ontwikkeling komt. Voorts valt in dit verband te denken aan de aanwijzing in de richtlijnen op grond van artikel 3 van de WZV van ziekenhuisvoorzieningen voor bijzondere verrichtingen, zoals brandwondencentra.

Bij de provinciale planning op grond van die wet moet met de aanwezigheid van die voorzieningen rekening worden gehouden. In de voornemens voor de herziening van de WZV is geen plaats ingeruimd voor een dergelijke aanwijzing; niettemin is enige sturing door de overheid op dit punt (anders dan door een verbod) gewenst. Ten slotte is het begunstigingsstelsel een goede mogelijkheid om het vergunningenstelsel te beperken tot situaties waar de toepassing echt noodzakelijk is.

Voor bepaalde voorzieningen is het namelijk de vraag of ze nog wel zodanig in ontwikkeling zijn, dat een vergunningsstelsel nodig is; beëindiging van dat regime wordt echter min of meer belemmerd doordat enige overheidsinvloed op de uitvoering gedurende een periode na die beëindiging wel wenselijk zou zijn maar wettelijk niet mogelijk is (bijvoorbeeld haemodialyse).

Door dit begunstigingssysteem aan de ene kant en de mogelijkheid van een nuloptie en een moratorium aan de andere kant ontstaat een gradatie in de overheidsinvloed, die (in omgekeerde volgorde) is terug te vinden in de verschillende hoofdstukken van dit wetsvoorstel.”

Bron: MvT, TK 1995–1996, 24 788, nr. 3.


Top


TOELICHTING OP DE WETSWIJZIGING

1. Inleiding
In deze wet zijn regels bijeengebracht betreffende bijzondere verrichtingen op het gebied van de gezondheidszorg. Centraal staat het begrip "medische verrichting". De wet kent een verbodssysteem voor daartoe aangewezen verrichtingen, een begunstigingssysteem voor ontwikkelingsgeneeskunde, en een begunstigingssysteem voor bijzondere aspecten van verrichtingen waarvoor een vergunningensysteem niet nodig is. De overheid kan hiermee nieuwe zowel als bestaande ontwikkelingen in de medische zorg en de beschikbaarheid van bepaalde medische technologieën stimuleren, concentreren in bepaalde instellingen, afremmen of zelfs verbieden. Het oude wettelijke stelsel van vergunningen en verboden uit de Wzv is daarmee komen te vervallen. De planningsbesluiten op grond van de Wzv blijven in het kader van de WBMV (artikel 18) van kracht, doch worden in de komende tijd successievelijk vereenvoudigd en gemoderniseerd.



Top

2. Bestaande regeling
Op grond van art. 7 WBMV voert het CVZ momenteel de programmering van de ontwikkelingsgeneeskunde uit. Op grond van deze bepaling verstrekt het CVZ subsidies voor ontwikkelingsgeneeskundige projecten, op grond van een vierjaarlijks door de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen vast te stellen overzicht van de grote lijnen van het beleid ten aanzien van de ontwikkelingsgeneeskunde. Daarbij wordt het stellen van prioriteiten evenwel aan de uitvoerende organisatie vergelaten. Ook de afstemming met elders lopend onderzoek vindt niet plaats vanuit de opdrachtverlenende ministeries.

Wel worden bij ministeriële regeling regels gesteld voor de verstrekking van de subsidies. Subsidies worden slechts verstrekt indien het project wordt uitgevoerd door, of overeenkomstig een samenwerkingsovereenkomst met, een academisch ziekenhuis, een universiteit of andere gelijkwaardige onderzoeksinstelling. De ministers van VWS en OC en W maken jaarlijks voor 1 november het totaal bedrag bekend dat beschikbaar is voor subsidieverstrekking in het daarop volgende jaar. Zij bepalen tevens welk deel van dat bedrag ten laste van het Rijk, en welk deel ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten wordt gebracht. De relevantie van ontwikkelingsgeneeskundige projecten wordt beoordeeld door het CVZ. Bij de wetenschappelijke beoordeling van de projectvoorstellen speelt MW-NWO een centrale rol.


Top


Voorgestelde regeling
Teneinde nadrukkelijker een verband te leggen met de prioriteiten uit het regeringsbeleid en de dynamiek van maatschappelijke ontwikkelingen, en tegelijkertijd een optimale inzet te bewerkstelligen van het instrument doelmatigheidsonderzoek acht ik een goede coördinatie en aansturing essentieel. In verband hiermee is in de nieuwe structuur de rol van de Minister van VWS aanzienlijk uitgebreid. De Minister van VWS beslist tweejaarlijks, na advisering door de RGO en voor het eerst voor het programma 2001–2002, welke programmeringopdrachten op het gebied van doelmatigheid aan MW-NWO en ZON worden verstrekt. De inhoud van de programma’s zal worden aangegeven in door mij op te stellen opdrachtbrieven. Ook de programmavoorstellen dienen aan de Minister van VWS ter goedkeuring te worden voorgelegd alvorens tot uitvoering kan worden overgegaan. Over de voortgang van de programma’s dient jaarlijks aan de minister verantwoording te worden afgelegd. Daarbij dient bijzondere aandacht uit te gaan naar afgeronde activiteiten.

Met MW-NWO en ZON heeft de Minister van VWS al een reguliere rond de programmering op het terrein van projecten, experimenten en onderzoek. Ook voor de aansturing van beide organisaties door de Minister van VWS bestaat reeds een wettelijke grondslag, namelijk de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek en het convenant dat op 13 mei 1996 is gesloten tussen het Algemeen bestuur van NWO, MW-NWO en de Minister van VWS, respectievelijk de Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland.

Op basis van deze wettelijke grondslag en het convenant kan de Minister van VWS de programmering aansturen. Dit leidt ertoe dat de bestaande regeling voor de programmering van ontwikkelingsgeneeskunde ex artikel 7 WBMV kan vervallen. Vooralsnog blijft het noodzakelijk om artikel 4 te handhaven en daarmee de mogelijkheid om medische verrichtingen, waarvoor een subsidie wordt verstrekt in het kader van project van ontwikkelingsgeneeskunde, bij ministeriële regeling te verbieden in andere dan de bij het projecten betrokken instelling. Een intermediaire organisatie kan geen verboden opleggen aan instellingen de niet bij een bepaald programma zijn betrokken. Gelet op het karakter van een eventueel verbod kan dit niet anders dan bij ministeriële regeling worden uitgevaardigd. Overigens is tot dusver van deze mogelijkheid nog geen gebruik gemaakt. Recentelijk is de opdracht verleend tot evaluatie van de WBMV, waarbij deze verbodsregeling een aandachtspunt vormt. De resultaten van de evaluatie komen beschikbaar in 2001.

Vooralsnog lijkt het gewenst om ook in de toekomst te kunnen blijven beschikken over een instrumentarium om ontwikkelingen buiten ontwikkelingsgeneeskundige projecten om te kunnen verbieden. Gezien zijn rol als bewaker en regisseur van een doelmatige aanwending van (collectieve) middelen voor de zorg, blijft ook in de nieuwe situatie een betrokkenheid van het CVZ van belang, zij het dat de rol beperkter is dan in het verleden. Daarom zal ik op grond van artikel 1n van de Ziekenfondswet het CVZ vragen mij jaarlijks, de eerste maal in april 2000 te rapporteren omtrent prioriteiten en knelpunten met betrekking tot de bedrijfsmatige doelmatigheid. De rapportage van het CVZ kan aanleiding zijn voor een door de RGO op te stellen advies over specifieke gebieden of bepaalde aspecten van het doelmatigheidsonderzoek. De nieuwe regeling zal in werking treden op 1 januari 2001.

Dit betekent dat de ronde 2000 voor het programma ontwikkelingsgeneeskunde nog op de gebruikelijke wijze zal plaatsvinden. Daar in 2002 de eerste programmacyclus doelmatigheidsonderzoek zal worden afgerond, ben ik voornemens het beleid inzake doelmatigheidsonderzoek te evalueren in 2003. Daarnaast zal ik de Tweede Kamer jaarlijks in de brief inzake projecten, experimenten en onderzoek informeren omtrent mijn beleid inzake het doelmatigheidsonderzoek.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E. Borst-Eilers".

Bron: MvT, TK 1999–2000, 27 090, nr. 3.


Top


EVALUATIE WET OP DE BIJZONDERE MEDISCHE VERRICHTINGEN

“Op grond van artikel 20 van de WBMV dient de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport binnen vier jaar na inwerkingtreding van deze wet een verslag over de doeltreffendheid en effecten van deze wet in de praktijk aan de Staten-Generaal te zenden. Met het oog daarop heb ik ZorgOnderzoek Nederland (thans ZonMW) verzocht in haar Programma wetsevaluatie ook de evaluatie van de WBMV op te nemen. Het daarop betrekking hebbende evaluatieonderzoek is onder begeleiding van ZonMW uitgevoerd door TNO Preventie en Gezondheid te Leiden en de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Hieronder geef ik eerst kort de uitkomsten (paragraaf 3) en conclusies en aanbevelingen van het evaluatierapport (paragraaf 4) weer. Paragraaf 5 bevat mijn standpunt op hoofdlijnen en paragraaf 6, tenslotte, mijn slotoverweging.


5. Standpunt op hoofdlijnen
De centrale vraagstelling van het evaluatieonderzoek was: Wat zijn de effecten van de WBMV en in hoeverre zijn de verschillende instrumenten van de wet doeltreffend en doelmatig ingezet. Voor het innemen van een standpunt op het evaluatierapport heb ik in de eerste plaats gekeken naar deze centrale vraagstelling en de aanbevelingen worden in dat licht bezien. Zoals hierboven reeds aangegeven kan uit de resultaten van het evaluatieonderzoek worden afgeleid dat de instrumenten die de WBMV heeft, ieder voor zich een bewezen werkzaamheid hebben en dat de verzameling instrumenten die de wet biedt noodzakelijk en voldoende zijn om de gewenste sturing en regulering van bijzondere medische verrichtingen te bereiken. Op grond van de uitkomsten van het evaluatieonderzoek gaat mijn voorkeur uit naar het handhaven van de huidige opzet van de WBMV met enige verbeteringen, zoals bij de aanbevelingen in optie 2 is verwoord.

In het volgende ga ik verder in op specifieke punten uit het rapport. Aanbevelingen, Optie 2: handhaven huidige situatie met enige verbeteringen De tweede optie is het handhaven van de huidige situatie waarbij enige verbeteringen dienen te worden aangebracht. De onderzoekers doen enkele aanbevelingen voor het verbeteren van de huidige situatie waaronder het aanscherpen van de criteria voor toepassing van art. 8 en het instellen van een onafhankelijk forum voor signalering en screening van potentiële art. 8-verrichtingen. Ook geven zijn aan dat de Gezondheidsraad opnieuw structureel bij de toepassing van het vergunningensysteem dient te worden betrokken, zoals dat ook bij de toepassing van artikel 18 van de WZV het geval was.”

Bron: BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 12 juli 2002, TK 2001–2002, 28 480, nr. 1.


Top
Terug naar: Wetgeving.
Latest update: 7 november 2006.
Home