Inleiding
De WAZ is van toepassing op instellingen waarin abortus provocatus wordt verricht.
In artikel 2 bepaald dat een vergunning vereist is voor het verrichten van een
behandeling. Deze vergunning kan worden aangevraagd door een ziekenhuis of een
kliniek met in achtneming van artikel 15 van het Besluit afbreking
zwangerschap. De vergunning wordt verleend als voldaan is aan artikel 6 van de
Wet en kan worden ingetrokken op grond van artikel 8 van de Wet. Wijziging van
rechtspersoon, het bestuur en beheer van de kliniek, organisatie werkwijze,
personeel, huisvesting en uitrusting kan tot gevolg hebben dat intrekking van
de vergunning en opnieuw verlening van de vergunning kan plaats vinden, na
advies van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Van deze besluiten tot het
verlenen en intrekken van een vergunning dient mededeling te worden gedaan in
de Staatscourant.
Kabinetsstandpunt
De afgelopen jaren zijn de mogelijkheden en het gebruik van prenatale
diagnostiek toegenomen. Dankzij deze diagnostische middelen, in het bijzonder
echografie, is het in toenemende mate mogelijk om foetale aandoeningen tijdens
de zwangerschap te diagnosticeren. Soms is er pas in een gevorderd stadium van
de zwangerschap aanleiding tot echografisch onderzoek. Het komt dan voor dat
zeer ernstige afwijkingen worden vastgesteld die niet met leven verenigbaar
zijn. In die gevallen overlijden de kinderen doorgaans tijdens of kort na de
bevalling. Het kan ook gaan om afwijkingen die uitzicht bieden op een leven
gepaard met ernstig en onbehandelbaar lijden. De afwijkingen zijn in die
gevallen zo ernstig dat na de geboorte zal worden afgezien van behandelen omdat
dat medisch zinloos wordt geacht. Het uitdragen van een zwangerschap kan voor
de vrouw in zo’n situatie, vanwege de toestand van het ongeboren kind, een
dermate ernstige belasting vormen, dat zij de arts verzoekt om de zwangerschap
te beëindigen. Zo’n zogenoemde late zwangerschapsafbreking, dat wil zeggen na
de 24 e week, is voor alle betrokkenen altijd een zeer moeilijke beslissing.
Het gaat immers om een gewenst kind.
Leven in wording is beschermwaardig. Ook al is die beschermwaardigheid van
dien aard dat die toeneemt naarmate de vrucht zich verder ontwikkelt, het
uitdragen van zwangerschap staat in alle stadia wel steeds voorop, afbreking
van zwangerschap is een uitzonderingssituatie. Dit komt in huidig recht onder
meer tot uitdrukking doordat de vrouw, vóór de vrucht buiten het moederlichaam
levensvatbaar is haar zwangerschap slechts mag beëindigen onder de voorwaarden
van de Wet afbreking zwangerschap. Vanaf de zelfstandige levensvatbaarheid
verliest de vrouw de bevoegdheid de zwangerschap te laten afbreken. De
zelfstandige levensvatbaarheid is aldus een bepalend omslagpunt in de
progressieve rechtsbescherming ten gunste van de vrucht.
Dit komt ook tot uitdrukking in het gangbare medische beleid, dat gericht
is op het uitdragen van de zwangerschap.
Aldus de ministers van VWS en Justitie in de inleiding van hun brief d.d. 6
september 2000 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake
het kabinetsstandpunt late zwangerschapsonderbreking.
De centrale vraag van
het evaluatieonderzoek is of de wet goed wordt nageleefd. De conclusie in het
rapport luidt als volgt: «Alles bijeen genomen kan op basis van het
evaluatie-onderzoek worden gesteld dat de wet in het algemeen goed wordt
nageleefd»2. De onderzoekers komen tot de conclusie dat de doelstellingen van
de wet worden gerealiseerd. De basiswaarden van de wet, het belang van de
moeder en dat van het ongeboren kind, zijn in balans. De kwaliteit van de
hulpverlening aan vrouwen in een noodsituatie is hoog en de zorg is goed
toegankelijk. Dit beeld wordt bevestigd door de vrouwen die door de
onderzoekers zijn benaderd.
Het overgrote deel van
de vrouwen die een abortus heeft ondergaan is tevreden tot zeer tevreden met de
huidige hulpverlening3.
De hulpverlening aan
de vrouw komt niet in het gedrang door de bepalingen in het belang van het
kind. Eveneens geldt dat de belangen van het ongeboren kind niet uit het zicht
verdwijnen vanwege de hulpverlening aan de vrouw. Het onderzoek stelt dat de
eisen in de wet met betrekking tot de bescherming van het ongeboren kind in
praktijk goed functioneren.
Een abortus mag
volgens de Waz alleen worden toegepast als er sprake is van een noodsituatie
van de vrouw. Uit de evaluatie blijkt dat artsen volgens deze bepaling te werk
gaan. Zij behandelen uitsluitend wanneer zij ervan overtuigd zijn dat er sprake
is van een noodsituatie in de zin van de wet4. De onderzoekers bevestigen
hiermee wat de IGZ in 1997 al rapporteerde. De ernst van de situatie zoals
ervaren door de vrouw is het uitgangspunt voor artsen om te bepalen of er
sprake is van een noodsituatie.
Hiermee voldoet de
praktijk dus aan één van de belangrijkste bepalingen uit de wet.
Artsen betrekken ook
andere motieven bij hun beslissing6. Om te bepalen of de door de vrouw genoemde
reden ook echt een noodsituatie is, peilt de arts of de keuze een weloverwogen,
vrijwillig genomen besluit is waar de vrouw zelf achter staat7. Conclusie van
de onderzoekers is dat het begrip noodsituatie wordt gehanteerd conform de wet.
Artikel 5 van de wet
bepaalt dat ook de alternatieven voor een abortus moeten worden besproken met
de vrouw. Het gaat dan om adoptie of om het kind zelf accepteren, dus in beide
gevallen om het uitdragen van de zwangerschap. De onderzoekers geven aan dat
artsen in veel situaties niet expliciet spreken over de alternatieven voor
abortus. Reden hiervoor is dat meestal tijdens het gesprek blijkt dat de vrouw
deze afweging zelf al heeft gemaakt. Alternatieven dan toch expliciet aan de
orde stellen kan contraproductief werken voor het verdere verloop van het
gesprek1.
Echter, als dit een
weloverwogen besluitvorming ten goede komt, zal een arts alternatieven noemen.
In artikel 3 van de
wet staat dat een vrouw vanaf de zesde dag nadat zij door een arts is verwezen
voor een abortus behandeld mag worden. Het gaat dus om een beraadtermijn, die
dient als waarborg voor een zorgvuldige besluitvormingsprocedure. Uit de
evaluatie blijkt dat de tijd die een vrouw zelf neemt om haar keuze te
overdenken per geval sterk verschilt.
De minimale
beraadtermijn van vijf dagen die de wet voorschrijft wordt hierbij in de
praktijk goed nageleefd. Veel vrouwen nemen echter ook meer tijd dan deze vijf
dagen. De onderzoekers zijn van mening dat de beraadtermijn moet blijven bestaan,
maar dat de minimale duur zou kunnen worden losgelaten. In de praktijk echter
blijkt de minimale termijn van vijf dagen niet tot grote problemen te leiden.”
Bron: BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN
VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 28 april 2006,
TK
2005–2006, 30 371, nr. 2.
“Na overleg geef ik u
hier mijn overwegingen omtrent de brief die ik stuurde over mijn standpunt over
de evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap aan ziekenhuizen en
abortusklinieken. Uw vragen betreffen vooral de mededeling dat vanaf heden de
overtijdbehandeling onder de Wet afbreking zwangerschap valt.
Op 28 april jl. heb ik
in mijn standpunt duidelijk gemaakt dat er geen reden is om nog een
uitzondering te maken voor de overtijdbehandeling.
Ik deed dit naar
aanleiding van de evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap (Waz), waar dit
werd aanbevolen. Vervolgens bleek dat abortusartsen niet wisten waar ze aan toe
waren.
Om die onduidelijkheid
over de overtijdbehandeling weg te nemen heb ik een brief gestuurd waarin
nogmaals duidelijk is gemaakt dat de overtijdbehandeling nu onder de Wet
afbreking zwangerschap valt.
Deze wijziging is niet
tot stand gekomen na een wijziging in mijn beleid en vergt ook geen
wetswijziging. Het is een constatering van een bestaande praktijk. De
uitzonderingspositie van de overtijdbehandeling was er op gebaseerd dat niet
met zekerheid kon worden vastgesteld dat er sprake is van een zwangerschap.
Daardoor is destijds vastgesteld dat de behandeling tot 16 dagen overtijd niet
onder de Waz valt.
De deskundigen in de
evaluatiecommissie concluderen nu dat deze uitzonderingsgrond niet meer
bestaat. Door middel van moderne technieken kan met zekerheid worden
vastgesteld dat vóór 16 dagen overtijd sprake is van een zwangerschap. In de
praktijk gebeurt dit ook altijd. Voor het eerst hebben deskundigen mij hierover
in een evaluatie geadviseerd.
Gezien de huidige
praktijk stellen deze deskundigen dat het afbreken van vroege zwangerschappen
tot 16 dagen over tijd onder de reikwijdte van de wet dient te vallen.
De medische ingreep
die vrouwen ondergaan wordt niet zwaarder door het verdwijnen van de
overtijdbehandeling. Zij kunnen bij een zeer vroege zwangerschap nog steeds
kiezen tussen een abortuspil en een instrumentele behandeling. Nu worden
ongeveer 20% van alle overtijdbehandelingen door middel van een abortuspil
uitgevoerd. De rest is instrumenteel. De kwaliteit van de zorg voor de vrouw
wordt niet minder.
In de evaluatie wordt
daarnaast ook geadviseerd om de minimale beraadtermijn van vijf dagen aan te
passen. Zoals in mijn standpunt staat te lezen heb ik deze aanbeveling niet
overgenomen. Daarin staat ook mijn overweging. Ik begrijp goed dat dit een
principieel punt is waar u met mij van gedachten wilt wisselen. Dat doe ik
graag. Ik beantwoord eerst de kamervragen die hierover gesteld zijn. Later dit
jaar kunnen we tijdens de behandeling van het standpunt de discussie aangaan
over deze vaste beraadtermijn.
Daarnaast is deze
beraadtermijn opgenomen als onderdeel ter bescherming van het ongeboren leven.
Dat is een expliciet doel van de wet. En als nu vaststaat dat dat bij een zeer
vroege behandeling van een vrouw altijd een zwangerschap wordt afgebroken is
deze beschermwaardigheid hetzelfde. De wet maakt geen onderscheid tussen vroege
en iets minder vroege
zwangerschappen.
Ik hoop u hiermee naar
tevredenheid te hebben geïnformeerd. Ik ga graag in het najaar met u over mijn
standpunt in debat.”
Bron: BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 29 juni 2006,
TK
2005–2006, 30 371, nr. 3.
“In de brief van 3
juli 2006 (06-VWS-B-057) verzoekt de Commissie VWS namens een aantal fracties
mij te handelen in de geest van een motie die zou zijn ingediend tijdens een
spoeddebat op 29 juni over de Wet afbreking zwangerschap (Waz). Dit spoeddebat
is niet doorgegaan vanwege het demissionair worden van het kabinet op die dag. Het
verzoek wordt ondersteund door een aantal fracties, die samen een meerderheid vormen.
De motie behelste het
verzoek om de brief aan abortusklinieken en ziekenhuizen in te trekken of aan
te houden tot de Kamerbehandeling van de evaluatie van de genoemde wet is
voltooid. Eén van de overwegingen is dat er een juridisch verschil van mening
bestaat over de vraag of het plaatsen van een overtijdbehandeling onder de Waz
een wetswijziging vergt.
Ik ben op basis van
deze laatste overweging bereid te handelen in de geest van dit verzoek en de
brief van 19 juni voor dit moment aan te houden. Ik zal om aan de
onduidelijkheid over de te volgen procedure een einde te maken een onderzoek
laten verrichten om een eenduidig juridisch-technisch antwoord te krijgen.
Ik zal vervolgens een
brief sturen naar de klinieken en ziekenhuizen die een vergunning hebben tot
het afbreken van zwangerschappen. Daarin stel ik deze instellingen op de hoogte
van mijn besluit om nader onderzoek naar de procedureel, juridische aspecten
van het onder de WAZ brengen van de overtijdsbehandeling te doen. Het gevolg
van dit besluit is dat het wijzigen van de praktijk met betrekking tot de
overtijdsbehandeling kan worden opgeschort tot na de uitkomst van dit onderzoek
en de parlementaire behandeling van het standpunt over de evaluatie van de Waz.”
Bron: BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN
VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 7 juli 2006,
TK
2005–2006, 30 371, nr. 4.