Wet van 1 mei 1981, houdende regelen met betrekking tot het afbreken van zwangerschap, Stb. 1981, 257

Iwtr.: gefaseerd.


Inleiding
De WAZ is van toepassing op instellingen waarin abortus provocatus wordt verricht. In artikel 2 bepaald dat een vergunning vereist is voor het verrichten van een behandeling. Deze vergunning kan worden aangevraagd door een ziekenhuis of een kliniek met in achtneming van artikel 15 van het Besluit afbreking zwangerschap. De vergunning wordt verleend als voldaan is aan artikel 6 van de Wet en kan worden ingetrokken op grond van artikel 8 van de Wet. Wijziging van rechtspersoon, het bestuur en beheer van de kliniek, organisatie werkwijze, personeel, huisvesting en uitrusting kan tot gevolg hebben dat intrekking van de vergunning en opnieuw verlening van de vergunning kan plaats vinden, na advies van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Van deze besluiten tot het verlenen en intrekken van een vergunning dient mededeling te worden gedaan in de Staatscourant.


Kabinetsstandpunt
De afgelopen jaren zijn de mogelijkheden en het gebruik van prenatale diagnostiek toegenomen. Dankzij deze diagnostische middelen, in het bijzonder echografie, is het in toenemende mate mogelijk om foetale aandoeningen tijdens de zwangerschap te diagnosticeren. Soms is er pas in een gevorderd stadium van de zwangerschap aanleiding tot echografisch onderzoek. Het komt dan voor dat zeer ernstige afwijkingen worden vastgesteld die niet met leven verenigbaar zijn. In die gevallen overlijden de kinderen doorgaans tijdens of kort na de bevalling. Het kan ook gaan om afwijkingen die uitzicht bieden op een leven gepaard met ernstig en onbehandelbaar lijden. De afwijkingen zijn in die gevallen zo ernstig dat na de geboorte zal worden afgezien van behandelen omdat dat medisch zinloos wordt geacht. Het uitdragen van een zwangerschap kan voor de vrouw in zo’n situatie, vanwege de toestand van het ongeboren kind, een dermate ernstige belasting vormen, dat zij de arts verzoekt om de zwangerschap te beëindigen. Zo’n zogenoemde late zwangerschapsafbreking, dat wil zeggen na de 24 e week, is voor alle betrokkenen altijd een zeer moeilijke beslissing. Het gaat immers om een gewenst kind.

Leven in wording is beschermwaardig. Ook al is die beschermwaardigheid van dien aard dat die toeneemt naarmate de vrucht zich verder ontwikkelt, het uitdragen van zwangerschap staat in alle stadia wel steeds voorop, afbreking van zwangerschap is een uitzonderingssituatie. Dit komt in huidig recht onder meer tot uitdrukking doordat de vrouw, vóór de vrucht buiten het moederlichaam levensvatbaar is haar zwangerschap slechts mag beëindigen onder de voorwaarden van de Wet afbreking zwangerschap. Vanaf de zelfstandige levensvatbaarheid verliest de vrouw de bevoegdheid de zwangerschap te laten afbreken. De zelfstandige levensvatbaarheid is aldus een bepalend omslagpunt in de progressieve rechtsbescherming ten gunste van de vrucht.

Dit komt ook tot uitdrukking in het gangbare medische beleid, dat gericht is op het uitdragen van de zwangerschap.

Aldus de ministers van VWS en Justitie in de inleiding van hun brief d.d. 6 september 2000 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake het kabinetsstandpunt late zwangerschapsonderbreking.


Top


EVALUATIE WET AFBREKING ZWANGERSCHAP


“Op13 mei 2003 liet ik u weten dat ik ZonMW heb verzocht de Wet afbreking zwangerschapte evalueren.<

Het Academisch Medisch Centrum/Universiteit van Amsterdam heeft in opdracht van ZonMW de evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap uitgevoerd.

Bijgaand treft u aan de evaluatie.”

Bron: BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT,14 november 2005,
TK 2005–2006, 30 371, nr. 1.


Top


Wordt de wet goed nageleefd?

De centrale vraag van het evaluatieonderzoek is of de wet goed wordt nageleefd. De conclusie in het rapport luidt als volgt: «Alles bijeen genomen kan op basis van het evaluatie-onderzoek worden gesteld dat de wet in het algemeen goed wordt nageleefd»2. De onderzoekers komen tot de conclusie dat de doelstellingen van de wet worden gerealiseerd. De basiswaarden van de wet, het belang van de moeder en dat van het ongeboren kind, zijn in balans. De kwaliteit van de hulpverlening aan vrouwen in een noodsituatie is hoog en de zorg is goed toegankelijk. Dit beeld wordt bevestigd door de vrouwen die door de onderzoekers zijn benaderd.

Het overgrote deel van de vrouwen die een abortus heeft ondergaan is tevreden tot zeer tevreden met de huidige hulpverlening3.

De hulpverlening aan de vrouw komt niet in het gedrang door de bepalingen in het belang van het kind. Eveneens geldt dat de belangen van het ongeboren kind niet uit het zicht verdwijnen vanwege de hulpverlening aan de vrouw. Het onderzoek stelt dat de eisen in de wet met betrekking tot de bescherming van het ongeboren kind in praktijk goed functioneren.

Een abortus mag volgens de Waz alleen worden toegepast als er sprake is van een noodsituatie van de vrouw. Uit de evaluatie blijkt dat artsen volgens deze bepaling te werk gaan. Zij behandelen uitsluitend wanneer zij ervan overtuigd zijn dat er sprake is van een noodsituatie in de zin van de wet4. De onderzoekers bevestigen hiermee wat de IGZ in 1997 al rapporteerde. De ernst van de situatie zoals ervaren door de vrouw is het uitgangspunt voor artsen om te bepalen of er sprake is van een noodsituatie.

Hiermee voldoet de praktijk dus aan één van de belangrijkste bepalingen uit de wet.

Artsen betrekken ook andere motieven bij hun beslissing6. Om te bepalen of de door de vrouw genoemde reden ook echt een noodsituatie is, peilt de arts of de keuze een weloverwogen, vrijwillig genomen besluit is waar de vrouw zelf achter staat7. Conclusie van de onderzoekers is dat het begrip noodsituatie wordt gehanteerd conform de wet.

Artikel 5 van de wet bepaalt dat ook de alternatieven voor een abortus moeten worden besproken met de vrouw. Het gaat dan om adoptie of om het kind zelf accepteren, dus in beide gevallen om het uitdragen van de zwangerschap. De onderzoekers geven aan dat artsen in veel situaties niet expliciet spreken over de alternatieven voor abortus. Reden hiervoor is dat meestal tijdens het gesprek blijkt dat de vrouw deze afweging zelf al heeft gemaakt. Alternatieven dan toch expliciet aan de orde stellen kan contraproductief werken voor het verdere verloop van het gesprek1.

Echter, als dit een weloverwogen besluitvorming ten goede komt, zal een arts alternatieven noemen.

In artikel 3 van de wet staat dat een vrouw vanaf de zesde dag nadat zij door een arts is verwezen voor een abortus behandeld mag worden. Het gaat dus om een beraadtermijn, die dient als waarborg voor een zorgvuldige besluitvormingsprocedure. Uit de evaluatie blijkt dat de tijd die een vrouw zelf neemt om haar keuze te overdenken per geval sterk verschilt.

De minimale beraadtermijn van vijf dagen die de wet voorschrijft wordt hierbij in de praktijk goed nageleefd. Veel vrouwen nemen echter ook meer tijd dan deze vijf dagen. De onderzoekers zijn van mening dat de beraadtermijn moet blijven bestaan, maar dat de minimale duur zou kunnen worden losgelaten. In de praktijk echter blijkt de minimale termijn van vijf dagen niet tot grote problemen te leiden.”

Bron: BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 28 april 2006,
TK 2005–2006, 30 371, nr. 2.


“Na overleg geef ik u hier mijn overwegingen omtrent de brief die ik stuurde over mijn standpunt over de evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap aan ziekenhuizen en abortusklinieken. Uw vragen betreffen vooral de mededeling dat vanaf heden de overtijdbehandeling onder de Wet afbreking zwangerschap valt.

Op 28 april jl. heb ik in mijn standpunt duidelijk gemaakt dat er geen reden is om nog een uitzondering te maken voor de overtijdbehandeling.

Ik deed dit naar aanleiding van de evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap (Waz), waar dit werd aanbevolen. Vervolgens bleek dat abortusartsen niet wisten waar ze aan toe waren.

Om die onduidelijkheid over de overtijdbehandeling weg te nemen heb ik een brief gestuurd waarin nogmaals duidelijk is gemaakt dat de overtijdbehandeling nu onder de Wet afbreking zwangerschap valt.

Deze wijziging is niet tot stand gekomen na een wijziging in mijn beleid en vergt ook geen wetswijziging. Het is een constatering van een bestaande praktijk. De uitzonderingspositie van de overtijdbehandeling was er op gebaseerd dat niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat er sprake is van een zwangerschap. Daardoor is destijds vastgesteld dat de behandeling tot 16 dagen overtijd niet onder de Waz valt.

De deskundigen in de evaluatiecommissie concluderen nu dat deze uitzonderingsgrond niet meer bestaat. Door middel van moderne technieken kan met zekerheid worden vastgesteld dat vóór 16 dagen overtijd sprake is van een zwangerschap. In de praktijk gebeurt dit ook altijd. Voor het eerst hebben deskundigen mij hierover in een evaluatie geadviseerd.

Gezien de huidige praktijk stellen deze deskundigen dat het afbreken van vroege zwangerschappen tot 16 dagen over tijd onder de reikwijdte van de wet dient te vallen.

De medische ingreep die vrouwen ondergaan wordt niet zwaarder door het verdwijnen van de overtijdbehandeling. Zij kunnen bij een zeer vroege zwangerschap nog steeds kiezen tussen een abortuspil en een instrumentele behandeling. Nu worden ongeveer 20% van alle overtijdbehandelingen door middel van een abortuspil uitgevoerd. De rest is instrumenteel. De kwaliteit van de zorg voor de vrouw wordt niet minder.

In de evaluatie wordt daarnaast ook geadviseerd om de minimale beraadtermijn van vijf dagen aan te passen. Zoals in mijn standpunt staat te lezen heb ik deze aanbeveling niet overgenomen. Daarin staat ook mijn overweging. Ik begrijp goed dat dit een principieel punt is waar u met mij van gedachten wilt wisselen. Dat doe ik graag. Ik beantwoord eerst de kamervragen die hierover gesteld zijn. Later dit jaar kunnen we tijdens de behandeling van het standpunt de discussie aangaan over deze vaste beraadtermijn.

Daarnaast is deze beraadtermijn opgenomen als onderdeel ter bescherming van het ongeboren leven. Dat is een expliciet doel van de wet. En als nu vaststaat dat dat bij een zeer vroege behandeling van een vrouw altijd een zwangerschap wordt afgebroken is deze beschermwaardigheid hetzelfde. De wet maakt geen onderscheid tussen vroege en iets minder vroege zwangerschappen.

Ik hoop u hiermee naar tevredenheid te hebben geïnformeerd. Ik ga graag in het najaar met u over mijn standpunt in debat.”

Bron: BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 29 juni 2006,
TK 2005–2006, 30 371, nr. 3.


Top


“In de brief van 3 juli 2006 (06-VWS-B-057) verzoekt de Commissie VWS namens een aantal fracties mij te handelen in de geest van een motie die zou zijn ingediend tijdens een spoeddebat op 29 juni over de Wet afbreking zwangerschap (Waz). Dit spoeddebat is niet doorgegaan vanwege het demissionair worden van het kabinet op die dag. Het verzoek wordt ondersteund door een aantal fracties, die samen een meerderheid vormen.

De motie behelste het verzoek om de brief aan abortusklinieken en ziekenhuizen in te trekken of aan te houden tot de Kamerbehandeling van de evaluatie van de genoemde wet is voltooid. Eén van de overwegingen is dat er een juridisch verschil van mening bestaat over de vraag of het plaatsen van een overtijdbehandeling onder de Waz een wetswijziging vergt.

Ik ben op basis van deze laatste overweging bereid te handelen in de geest van dit verzoek en de brief van 19 juni voor dit moment aan te houden. Ik zal om aan de onduidelijkheid over de te volgen procedure een einde te maken een onderzoek laten verrichten om een eenduidig juridisch-technisch antwoord te krijgen.

Ik zal vervolgens een brief sturen naar de klinieken en ziekenhuizen die een vergunning hebben tot het afbreken van zwangerschappen. Daarin stel ik deze instellingen op de hoogte van mijn besluit om nader onderzoek naar de procedureel, juridische aspecten van het onder de WAZ brengen van de overtijdsbehandeling te doen. Het gevolg van dit besluit is dat het wijzigen van de praktijk met betrekking tot de overtijdsbehandeling kan worden opgeschort tot na de uitkomst van dit onderzoek en de parlementaire behandeling van het standpunt over de evaluatie van de Waz.”

Bron: BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 7 juli 2006,
TK 2005–2006, 30 371, nr. 4.

Top
Terug naar: Wetgeving.
Latest update: 29 oktober 2006.
Home