Wet van 23 april 1971, houdende regelen omtrent ambulancevervoer, Stb. 1971, 369,


laatstelijk gewijzigd bij


Wet van 13 april 2004 tot wijziging van de Brandweerwet 1985, de Wet rampen en zware ongevallen en de Wet geneeskundige hulpverlening bij rampen in verband met de bevordering van de kwaliteit van de rampenbestrijding door middel van een planmatige aanpak en de aanscherping van het provinciale toezicht en tot wijziging van de Wet ambulancevervoer
(Wet kwaliteitsbevordering rampenbestrijding)
,
Stb. 2004, 184, die in werking trad op 1 juli 2004 (Besluit van 9 juni 2004, Stb. 2004, 265).


Kwaliteitsbevordering rampenbestrijding
“De afgelopen jaren is Nederland opgeschrikt door een aantal ernstige rampen en zware ongevallen. Uit onderzoek naar deze rampen en zware ongevallen bleek dat de (voorbereiding op de) rampenbestrijding verbetering behoefde. Als gevolg daarvan zijn in de beleidsnota Rampenbestrijding 2000–2004, «De veiligheidsketen gesmeed»1 de kabinetsstandpunten naar aanleiding van de Vuurwerkramp en de Nieuwjaarsbrand en de reactie van het kabinet op het rapport van de Algemene Rekenkamer over de voorbereiding op de rampenbestrijding een aantal maatregelen ter verbetering van de (voorbereiding op de) rampenbestrijding aangekondigd. Deze wet tot wijziging van de Wet rampen en zware ongevallen, de Brandweerwet 1985 en de Wet geneeskundige hulpverlening bij rampen (Wghr) vormt een uitwerking van deze maatregelen.

Daarnaast wordt de Wet ambulancevervoer om technische redenen gewijzigd in verband met de wijzigingen in de Wghr. Rampenbestrijding heeft betrekking op het voorkomen en beperken van risico’s, de voorbereiding op de bestrijding van rampen, de daadwerkelijke bestrijding zelf en de nazorg. Er zijn bij de rampenbestrijding vele actoren betrokken, zoals de brandweer en andere gemeentelijke diensten, de geneeskundige hulpverleningsdiensten en de politie, die ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid een bijdrage moeten leveren aan de rampenbestrijding en de voorbereiding daarop. Door de betrokkenheid van zoveel actoren is het voorbereiden op en het afstemmen van de uitvoering van de taken op het terrein van de rampenbestrijding complex en weerbarstig. Integrale besluitvorming en goede samenwerking zijn hiervoor van cruciaal belang.

De verantwoordelijkheid voor de rampenbestrijding ligt primair bij de gemeentebesturen. Gemeenten worden bij uitstek in staat geacht om een samenhangend veiligheidsbeleid vast te stellen, de aanwezige risico’s te beoordelen en daarvoor passende maatregelen te treffen. Gemeenten kennen immers de plaatselijke situatie als geen ander.

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het beheer over de brandweer en voor het voorkomen, beperken en bestrijden van brand en al wat daarmee samenhangt. Met de voorbereiding van de rampenbestrijding binnen de gemeenten is het college van burgemeesters en wethouders belast. In dit kader stelt de gemeenteraad een rampenplan vast en stelt de burgemeester voor elke naar plaats, aard en gevolgen voorzienbare ramp of zwaar ongeval een rampbestrijdingsplan vast. Gemeenten hebben tevens belangrijke bevoegdheden op het terrein van pro-actie en preventie (verlening van bouw-, milieu- en gebruiksvergunningen en de controle daarop).

Veiligheidsproblemen overstijgen echter dikwijls het gebied van de afzonderlijke gemeenten. Ook de voorbereiding op de rampenbestrijding dient derhalve in groter verband te worden aangepakt. Op grond van de Brandweerwet 1985 wijzen gedeputeerde staten daarom gemeenten aan om een gemeenschappelijke regeling te treffen, waarbij een regionale brandweer wordt ingesteld.

De provincie heeft toezichthoudende bevoegdheden ten aanzien van rampenplannen en rampbestrijdingsplannen. De provincie heeft met betrekking tot de voorbereiding dus een toetsende rol en is een belangrijke schakel tussen gemeenten en het rijk.

Het rijk is verantwoordelijk voor het systeem van rampenbestrijding als zodanig. Dat wil zeggen dat het rijk de noodzakelijke randvoorwaarden schept opdat alle verantwoordelijke besturen en diensten in samenhang hun taken kunnen uitoefenen. Zo zorgt het rijk voor de betreffende wet- en regelgeving. Tevens toetst het rijk de kwaliteit van de rampbestrijdingsketen, financiert een gedeelte van de kosten en treft het aanvullende voorzieningen voor grootschalig optreden, zoals verbindingen, het waarschuwingssysteem (sirenenet) en het benodigde materieel.

Overigens wordt in dit verband nog opgemerkt dat een voorstel voor een Kaderwet Tunnelveiligheid in voorbereiding is. Met het onderhavige wetsvoorstel wordt daarop niet vooruitgelopen.”

Bron: MvT, TK 2002–2003, 28 644, nr. 3.


Top



Ambulancevervoer

Aanspraak op en toegang tot ambulancezorg

De aanspraak op ziekenvervoer is geregeld in de Ziekenfondswet (art. 16 Verstrekkingenbesluit) en betreft zowel het ambulancevervoer als het overig ziekenvervoer. Hulpverlening ter plaatse door ambulancepersoneel valt niet onder de omschrijving van de verstrekking. Uitgaande van de ontwikkeling naar ambulancezorg, zal de omschrijving van de aanspraak in het Verstrekkingenbesluit moeten worden aangepast. Hierdoor wordt het ook beter mogelijk om variaties binnen de ambulancezorg, zoals bijvoorbeeld de inzet van hulpverleners per motor (zoals nu o.a. in Den Haag wordt beproefd) te realiseren.

De Wet ambulancevervoer (Wav) schrijft voor dat ambulancevervoer alleen mag plaatsvinden na opdracht door de Centrale Post Ambulancevervoer (CPA) door vervoerders die een vergunning van de provincie hebben. Verzoeken om ambulancezorg kunnen bij de CPA binnenkomen vanuit het medische circuit (huisarts, verloskundige, specialist/ziekenhuis) danwel van burgers en/of patiënten zelf via het landelijk alarmnummer 112. De CPA is belast met de verdeling en coördinatie van ritten. De CPA bepaalt de «toegang» tot de ambulancezorg. Ook bepaalt de CPA welke ambulance (lees: ambulancedienst) wordt ingeschakeld.


Top


Op grond van de Wet ambulancevervoer (Wav) stelt de provincie de gebieden vast waarbinnen gemeenten een CPA moeten oprichten en instandhouden. Verder bepaalt de provincie het aanbod van ambulancezorg (het minimum en het maximum aantal ambulances).

De vergunningen worden afgegeven op basis van een provinciaal spreidingsplan. In dat plan wordt tevens aangegeven hoeveel ambulances er op welk moment van de dag beschikbaar (parate dienst of piketdienst) moeten zijn, uitgaande van de vraag naar ambulancezorg en aan de hand van de eis dat op iedere plek in de provincie in spoedgevallen binnen 15 minuten na ontvangst van de melding bij de CPA een ambulance ter plaatse moet kunnen zijn.

Er zijn ongeveer 130 afzonderlijke ambulancediensten, waarvan ca. 60% een particuliere onderneming is. Er zijn ca. 640 ambulances.

De operationele aansturing geschiedt via 37 CPA’s (één per regio), waarvan meer dan de helft een gezamenlijke meldkamer is voor ambulance en brandweer. In vier meldkamers is sprake van een combinatie van de meldkamers voor ambulance, brandweer en politie op één locatie.


Top


Spoedeisende en niet-spoedeisende ambulancezorg
In Nederland is sprake van een integratie van spoedeisende en niet-spoedeisende ambulancezorg, ook wel «spoedvervoer» en «besteld vervoer» genoemd. De termen «spoed» en «niet-spoed/besteld» zeggen slechts iets over de mate waarin de inzet van een ambulance van te voren te plannen is. Zij zeggen niets over de mate en intensiteit van zorg die moet worden verleend. Het zogeheten «besteld vervoer» maakt gemiddeld ca. 48% van het totale aantal ambulanceritten uit (o.a. aan interklinische overplaatsingen van ernstig zieke patiënten).

Het «spoedvervoer» is onder te verdelen in het A1-vervoer (met optische en geluidssignalen, binnen 15 minuten ter plaatse, ca. 32%) en het A2-vervoer (direct uitrukken echter zonder gebruik van optische en geluidssignalen, ca 20%).

Bekostiging van ambulancezorg (tarieven en prijzen)
Een ambulancedienst is een orgaan van gezondheidszorg. Op grond van de Wet tarieven gezondheidszorg (WTG) worden de tarieven bepaald.

Bekostiging vindt plaats vanuit de premiemiddelen (Zfw, particuliere verzekeringen, IZA) en bestaat uit enerzijds de bekostiging van de feitelijke ambulancezorg inclusief de paraatheid, anderzijds de bekostiging van de CPA via een opslag op de tarieven.

Het huidige stelsel van COTG-richtlijnen stamt qua karakter nog uit de begintijd van het ambulancevervoer: bepalend is de productie (het aantal uitgevoerde ritten) per dienst. Hierdoor wordt onvoldoende recht gedaan aan één van de meest essentiële onderdelen van de ambulancezorg: de continue paraatheid. Een ambulance moet er zijn vanwege de eis dat binnen 15 minuten een ambulance ter plaatse moet kunnen zijn, ongeacht het aantal aanvragen in het gebied.

In de richtlijnen is echter het aantal ritten bepalend voor o.a. de formatie. Het aantal ritten is voor wat betreft de bekostiging bepalend voor de formatie en de paraatheid. De inzet van een ambulance is slechts declarabel indien een patiënt ook daadwerkelijk wordt vervoerd.

Voor hulpverlening ter plaatse kan niet worden gedeclareerd, zodat de gemaakte kosten moeten worden omgeslagen over de wel declarabele ritten. Veelal wordt in regio’s gewerkt met ritverdelingsafspraken.

Ambulancediensten hebben in feite een «gegarandeerd» marktaandeel. Bovendien spreken de richtlijnen zich slechts uit over de rijdende formatie, het aantal centralisten en over de directie- en administratiekosten.

Stafpersoneel (bijvoorbeeld ten aanzien van opleidingen, kwaliteitszorg, bedrijfsvoering etc.) moet bekostigd worden uit met name de post directie- en administratiekosten. Slechts indien een ambulancedienst zeer veel «productie» maakt, ontstaat de mogelijkheid om ook daadwerkelijk personeel vrij te maken voor de niet-patiënt gebonden taken. Het COTG werkt overigens aan de mogelijkheid om per 1 juli 1997 een opleidingscoördinator via de tarieven te bekostigen. Deze opleidingscoördinator moet dan voor de gehele regio werkzaam zijn.


Top


Kwaliteit van de ambulancezorg
Ambulancediensten en CPA’s vallen onder de werking van de Kwaliteitswet zorginstellingen. De kwaliteit van de ambulancezorg wordt in belangrijke mate bepaald door de mate waarin en de wijze waarop hulpverleners (ambulancepersoneel, huisartsen, specialisten en ziekenhuizen) samenwerken.

De kwaliteit van het functioneren van de CPA heeft direct effect op de kwaliteit van de ambulancezorg. Indirect heeft de CPA invloed op andere zorgaanbieders en op de kwaliteit van de geleverde zorg.

De CPA kan bijvoorbeeld een melder terugverwijzen naar de huisarts; ook kan de CPA bij een juiste inschatting van de situatie van de patiënt andere hulpverleners ter aanvulling op de ambulancezorg inschakelen, zoals bijvoorbeeld een mobiel medisch team.

Ketenkwaliteit in het zorgcontinuüm is dus van groot belang. Uit het rapport «De keten rammelt» van de Inspectie voor de Gezondheidszorg blijkt die ketenkwaliteit er nog onvoldoende te zijn. Daarnaast kan gesteld worden dat het ambulancepersoneel weliswaar steeds beter opgeleid is, maar dat de meeste ambulancediensten en CPA’s te klein van omvang zijn voor een verantwoorde borging van de kwaliteit.


Top


De huidige ambulancezorg is een essentiële schakel in de keten van spoedeisende medische hulp en feitelijk een medisch/verpleegkundige zorgvoorziening «op wielen». Als gevolg van de kleine bedrijfsomvang komt de kwaliteitszorg en de ketenkwaliteit onvoldoende van de grond.

Het huidige richtlijnenstelsel is verouderd; het bevat onvoldoende prikkels tot doelmatigheid en houdt onvoldoende rekening met de eis van continue beschikbaarheid. Schaalvergroting is daarom gewenst evenals een adequaat budgetsysteem voor de ambulancezorg.


Top


Naar regionale ambulancevoorzieningen
Samenwerking van de bij de ambulancezorg betrokken organisaties en diensten op een regionale niveau is vanuit het oogpunt van doelmatigheid en kwaliteit gewenst, zoniet noodzakelijk. Mijn voornemen is dan ook te komen tot zogenaamde Regionale Ambulance Voorzieningen (RAV). Een RAV is een regionaal samenwerkingsverband tussen ambulancediensten en CPA.

De RAV zal worden beschouwd als orgaan van gezondheidszorg in de zin van de Wet tarieven gezondheidszorg. De RAV is verantwoordelijk voor het kwaliteitsbeleid en de bedrijfsvoering en zal houder zijn van het budget voor de ambulancezorg.

Om de band met de gezondheidszorg te versterken, zullen naast vertegenwoordigers van de ambulancediensten en CPA ook vertegenwoordigers namens de ziekenhuizen en de huisartsen in het bestuur van de RAV een plaats krijgen. Ook het Nederlands Ambulance Platform (NAP) bepleit sterk de richting van meer regionale samenwerking tussen ambulancediensten en CPA in de vorm van een RAV (nota «Samen één», 1992 en Regionale Ambulancevoorziening, 1996).

Op dit moment is er in een aantal regio’s al een goede aanzet voor een regionale ambulancevoorziening. Ik noem hierbij o.a. de regio’s Midden-Brabant, Flevoland, Drenthe en IJssel-Vecht. De bestuurlijke betrokkenheid van ziekenhuizen en huisartsen zal vaak nog geregeld moeten worden.

Naar mijn mening kan er vanaf het jaar 2000 overal sprake zijn van regionale ambulancevoorzieningen of tenminste de serieuze aanzetten daartoe.

Ik zal in overleg met het Nederlands Ambulance Platform bezien op welke wijze de ambulancediensten en CPA’s kunnen worden begeleid bij de vorming van regionale ambulancevoorzieningen.


Top


Regionaal ambulanceplan
Voor de ambulancezorg zal een regionaal ambulanceplan (RAP) moeten worden opgesteld. Indien noodzakelijk zal hiervoor een wijziging van de Wet ambulancevervoer worden overwogen. Het regionaal ambulanceplan wordt door de RAV ontworpen en door de provincie vastgesteld.

Basis voor dit plan wordt gevormd door landelijke richtlijnen. Het RAP vormt de inbreng voor de regiovisie. Het bevat in ieder geval de volgende elementen:
a. een regionale visie op de ambulancezorg in de context van de SMH in de regio;
b. een overzicht van de voorzieningen, waaronder begrepen het aantal ambulances, benodigd opdat op elke plaats in de regio in spoedeisende situaties zo snel mogelijk doch uiterlijk binnen 15 minuten na de melding ambulancezorg kan worden verleend;
c. een omschrijving van de samenwerking met instellingen voor gezondheidszorg in de regio en met de regionale ambulancevoorzieningen van de aangrenzende regio’s;
d. een omschrijving van de samenhang met het plan, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet geneeskundige hulpverlening bij rampen.


Top


Regio-indeling
Het is belangrijk dat de omvang van een regio voor de ambulancezorg zodanig is dat deze een goede bedrijfsvoering van een RAV mogelijk maakt. Naast omvang van de regio zijn ook de buitengrenzen van de regio van belang. Vanwege de samenhang met de ziekenhuiszorg zullen de grenzen bij voorkeur aan dienen te sluiten bij de zgn. WZV-regio’s.


Vanwege de samenhang met de regelingen in het kader van geneeskundige hulpverlening bij rampen (Wet geneeskundige hulpverlening bij rampen, Wghr) en de samenwerking met de brandweer, zullen de buitengrenzen van de regio’s in ieder geval moeten samenvallen met die van de brandweerregio’s. Omdat de WGHR-regio’s bij wet de brandweer-regio’s volgen en omdat er een nadrukkelijke samenhang bestaat tussen de WGHR en CPA, zullen de CPA-regio’s moeten samenvallen met de WGHR-regio’s.

Met de provincies zal overleg worden gevoerd om de 37 CPA-gebieden voor de ambulancezorg te harmoniseren met de 27 ziekenhuisregio’s en de ca. 38 WGHR-regio’s/brandweerregio’s.

Top

Bron: TK 1996–1997, 25 387, nr. 2 8.

Top
Terug naar: Wetgeving.
Latest update: 29 oktober 2006.
Home