Wet van 12 maart 1998, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op het terrein van de volksgezondheid;

Iwtr.: 1 augustus 1998 (KB van 2 juli 1998, Stb. 1998, 437).


Doelstelling
In titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een aantal algemene aspecten van het verstrekken van subsidies geregeld.
Artikel 4:23 van de Awb eist voor subsidieverstrekking in beginsel een wettelijke grondslag, tenzij het om een incidentele of tijdelijke subsidiefaciliteit gaat.

De Kaderwet volksgezondheidssubsidies beoogt een wettelijke grondslag te geven aan de subsidieverstrekkingen door de minister van Volksgezondheid, welzijn en Sport (VWS) op het terrein van de volksgezondheid en daarvoor, in aansluiting op de Awb, een algemeen kader te bieden.

De subsidieverstrekkingen door de minister van VWS op de terreinen van welzijn, sport en jeugdhulpverlening vinden plaats op grond van de Welzijnswet 1994 en de Wet op de jeugdhulpverlening en berusten derhalve reeds op een wettelijke grondslag.


Top


Hoofdlijnen
De Kaderwet volksgezondheidssubsidies vormt de basis voor een aantal subsidies op het terrein van de volksgezondheid. De kaderwet beperkt zich tot regeling van de subsidies die door de minister van VWS ten laste van Hoofdstuk XVI van de Rijksbegroting worden verstrekt. De kaderwet vormt derhalve niet de enige basis. Naast deze kaderwet bestaan enige specifieke wetten waarin subsidies op het terrein van de volksgezondheid zijn geregeld. Te denken valt aan de Ziekenfondswet, de Wet ziekenhuisvoorzieningen (voor de verstrekking van een saneringsuitkering in geval van sluiting van een ziekenhuisvoorziening), de Wet op de bijzondere medische verrichtingen (vide artikel 7 WBMV inzake subsidiëring ontwikkelingsgeneeskunde) en de Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland (subsidiëring van projecten, experimenten en onderzoek). De subsidies ingevolge genoemde wetten worden niet met begrotingsgelden maar (voor het merendeel) met premiegelden gefinancierd.

De kern van de kaderwet wordt gevormd door de artikelen 2, 3 en 4.

Artikel 2 geeft een globale aanduiding van de activiteiten door opsomming op hoofdlijnen van beleidsterreinen waarop subsidies kunnen worden verstrekt. Het beleidsterrein van de volksgezondheid betreft het geheel van inspanningen met betrekking tot de gezondheidsbevordering, gezondheidsbescherming en de gezondheidszorg. De beleidsinspanning is gericht op het verwezenlijken van de doelstellingen ten aanzien van de inhoud, de structuur, de financiering en de kosten van de volksgezondheid.

In artikel 3 wordt een grondslag geschapen voor nadere regelgeving ter zake. Daarbij gaat het in de eerste plaats om een nadere bepaling van de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt. Voorts betreft het een reeks van onderwerpen waaromtrent ook in de Awb reeds het nodige is geregeld, maar wel zodanig dat ruimte is gelaten voor een nadere regeling.

Tenslotte is in artikel 4 de norm neergelegd, dat de subsidies in beginsel op grond van een wettelijk voorschrift, te weten een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 3, worden verstrekt. Daarbij zijn uitzonderingen gemaakt voor gevallen waarin het totstandbrengen van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling niet nodig of niet wel mogelijk is.


Top


Specifieke uitkeringen
De kaderwet voorziet tevens in de mogelijkheid van verstrekking van specifieke uitkeringen.
Uit artikel 17 van de Financiële-verhoudingswet vloeit voort dat krachtens deze kaderwet verstrekte specifieke uitkeringen met een structureel karakter die uitsluitend worden verstrekt aan gemeenten en provincies, bij algemene maatregel van bestuur worden verstrekt, tenzij ze een eenmalig of spoedeisend karakter hebben, in welk geval regeling bij ministeriële regeling geschiedt.

Dit laatste is ook mogelijk voor zover het gaat om specifieke uitkeringen die voortvloeien uit EU-regelgeving die weinig of geen nationale beleidsruimte laten. Ingevolge artikel 18 van de Financiële-verhoudingswet vindt omtrent een voorstel tot regeling van een specifieke uitkering tijdig overleg plaats met de ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën. In dat overleg zal tevens worden bezien of, gelet op de aard van de te bekostigen activiteiten, de onderhavige wet de basis kan bieden voor de daarbij behorende specifieke uitkering dan wel dat een meer specifieke wettelijke basis is vereist.

Bron: MvT, TK 1997-1998, 25 637, nr. 3.

Top
Terug naar: Wetgeving.
Latest update: 29 oktober 2006.
Home