Wet mentorschap Wet mentorschap, Wet van 29 september 1994, houdende mentorschap ten behoeve van meerderjarigen, Stb. 1994, 757

Iwtr.: 1 januari 1995, Stb. 1994, 779.


De Wet op het Mentorschap (BW 1, Titel 20) behandelt het instellen -door de kantonrechter (resp. de BOPZ-rechter)- van een mentorschap voor een meerjarige die op grond van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat zelf zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen (wilsonbekwaam). De mentor is bedoeld voor beslissingen inzake verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. De mentor legt verantwoording af aan de kantonrechter. Voor vermogensrechtelijke zaken kan een curator worden benoemd. Deze curator is bevoegd zowel op vermogensrechtelijk gebied als op het terrein van de mentor.


Top


Zie ook:


Besluit van 19 januari 1995, houdende wijziging van het Besluit voogdijregisters, Stb. 1995, 36,

Iwtr.: de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug toten met 1 januari 1995 (Artikel II).


Top


TOELICHTING

Artikel 453a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, als vervat in de Wet van 29 september 1994, houdende mentorschap ten behoeve van meerderjarigen (Stb. 757) opent de mogelijkheid dat de rechter, indien hij dit noodzakelijk acht, aan de instelling van het mentorschap of gedurende het mentorschap het gevolg kan verbinden dat artikel 246, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat in het over een minderjarige uit te oefenen gezag van een ouder wijziging wordt gebracht: degene ten behoeve van wie het mentorschap is ingesteld, wordt geacht in de onmogelijkheid te verkeren de ouderlijke macht uit te oefenen. Dit feit dient derhalve in het voogdijregister te worden aangetekend. Zie hierover ook Kamerstukken II, 1992–1993, 22 474, nr. 6, blz. 12, bovenaan.

Artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit voogdijregisters is in verband hiermee aangepast.

De wet inzake het mentorschap is op 1 januari 1995 in werking getreden. Omdat de wijziging van het Besluit voogdijregisters na dit tijdstip in werking treedt, is voorzien in een terugwerkende kracht van de verplichting tot inschrijving van de beslissingen, bedoeld in artikel 453a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De griffies van de kantongerechten zijn inmiddels reeds verzocht hiermee rekening te houden.

De Staatssecretaris van Justitie,

E. M. A. Schmitz

Bron: NOTA VAN TOELICHTING, Stb. 1995, 36.


Top


Commentaar:

"Sinds 1995 kennen we de Wet mentorschap ten behoeve van meerderjarigen, die voorziet in de mogelijkheid om voor mensen, die niet in staat zijn voor zichzelf en hun eigen belangen op te komen, door de rechter een mentor te doen benoemen. De mentor kan, als de betrokkene zelf niet in staat is om op te treden, namens deze handelen, maar alleen voor zaken betreffende zorg en behandeling. Voor materiële zaken moet een bewindvoeder worden aangesteld. Een curator kan namens de curandus zowel materiële als immateriële belangen behartigen.

In 1998 is de Wet mentorschap geëvalueerd. Volgens het rapport van de VU functioneert de wet in de praktijk goed, maar als je goed doorleest zijn er pittige punten van kritiek die raken aan de kwaliteit van de regeling.

In mijn eerste preadvies voor de Vereniging voor Gezondheidsrecht in 1990 over vertegenwoordiging van meerderjarige wilsonbekwamen heb ik voor één vertegenwoordigingsregeling gepleit. De rechter zou – als er geen persoonlijk gemachtigde of informele vertegenwoordiger is - een vertegenwoordiger benoemen, waarbij hij de keuze heeft uit vertegenwoordiging in óf materiële, óf immateriële belangen of beide. Bij de benoeming wordt aangegeven tot welke handelingen op welke terreinen de vertegenwoordiger bevoegd is. Een soortgelijk pleidooi is te vinden in het proefschrift van Blankman uit 1994, die er een complete wettekst bijleverde. De wetgever was toen al te ver op dreef met de Wet mentorschap.

Tot op de dag van vandaag zijn de wettelijke vertegenwoordigingsregelingen in hun samenhang niet overtuigend geregeld:
ze zijn nodeloos ingewikkeld, overlappen elkaar gedeeltelijk, bevatten ook verschillen die niet goed te beargumenteren zijn;
ze sluiten onvoldoende aan op de regeling van de niet door de rechter benoemde vertegenwoordiging;
een regeling van bevoegdheden van vertegenwoordigers wordt node gemist;
hetzelfde geldt voor een regeling van conflicten tussen vertegenwoordigde en vertegenwoordiger, vertegenwoordigers onderling en vertegenwoordigers en behandelaar;
er bestaan problemen ten aanzien van de kwaliteit van vertegenwoordiging in de praktijk.

Dit laatste kan de wetgever niet oplossen. Ik verwijs nog eens naar mijn voorstel uit 1990 om per arrondissement een middelaar (misschien zijn er wel méér nodig) te benoemen, een vrouw of man met maatschappelijk gezag, die onder andere tot taak zou hebben om de rechter te adviseren bij de selectie en benoeming van vertegenwoordigers, om toezicht te houden op hun activiteiten, om te bemiddelen bij conflicten en om zorg te dragen voor opleiding en deskundigheidsbevordering."

Bron: EEN KLEINE MOOIE RITSELENDE REVOLUTIE, over de effectiviteit van 35 jaar patiëntenrechten in Nederland,
rede op 15 december 2005 uitgesproken bij zijn afscheid als hoogleraar gezondheidsrecht in de Faculteiten der Gezondheidswetenschappen, Geneeskunde en Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Maastricht door prof. mr. F.C.B. van Wijmen.


Top
Terug naar: Wetgeving.
Latest update: 29 oktober 2006.
Home