Wet van 7 april 2005 tot wijziging van de Kwaliteitswet zorginstellingen en de Wet klachtrecht cliënten zorgsector,
Stb. 2005, 216,
Iwtr.: met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst (Besluit van 2 juni 2005 tot inwerkingtreding van de Wet van 7 april 2005 tot wijziging van de Kwaliteitswet zorginstellingen en de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Stb. 216),
Stb. 2005, 297.
De Kwaliteitswet zorginstellingen: ontwikkelingen
"Inleiding
De Kwaliteitswet zorginstellingen heeft in de jaren negentig een impuls gegeven aan het tot stand brengen en verbeteren van kwaliteitsbeleid binnen de zorginstellingen. In alle sectoren is men aan de slag gegaan met het ontwikkelen van kwaliteitssystemen en -methodieken. Veruit de meeste zorgaanbieders zijn bezig geweest met oriëntatie op en ontwikkeling van de kwaliteit van de zorg. De "Leidschendam-conferenties" hebben hier een belangrijke bijdrage aan geleverd.
Bij het kwaliteitsbeleid staan de patiënt en diens gezondheid centraal. De Kwaliteitswet stelt dat instellingen gehouden zijn "verantwoorde zorg" te leveren. Verantwoorde zorg betekent het scheppen van een zo goed mogelijke gezondheidstoestand voor de patiënt. Hiervoor moeten, in lijn met het advies van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) "Volksgezondheid en zorg" (december 2001), concrete gezondheidsdoelen worden gesteld. Dat zijn ijkpunten voor activiteiten in zowel de individuele als openbare gezondheidszorg. Bij de individuele gezondheidszorg staat het genezen van ziekte voorop, bij de openbare gezondheidszorg preventie.
De Volksgezondheid Toekomstverkenning 2002 van 21 november 2002 (kamerstuk 28 600 XVI, nr. 22) wijst ons nadrukkelijk op de noodzaak niet alleen de focus te richten op de verbetering van de individuele gezondheidszorg, maar ook op het voorkomen van (verdere) ongezondheid. Dat wil zeggen: bij een verantwoorde kwaliteit van zorg staat preventie voorop.
Thans, bijna zeven jaar na invoering van de Kwaliteitswet, is duidelijk dat er nog aanzienlijk meer moet gebeuren. Dit bleek afgelopen zomer al uit de evaluatie van de wet, zoals u deze op 10 juni jl. met een kabinetsstandpunt is toegezonden (kamerstuk 28 439, nr. 1). Hieruit bleek onder meer dat nog maar een klein deel van de instellingen over een volledig kwaliteitssysteem beschikt, en dat ook toepast.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft dit negatieve beeld zeer recent nog eens bevestigd in de Staat van de Gezondheidszorg (29 november 2002), waarin staat: "Kwaliteitsborging in de zorg is nog steeds onvoldoende. (...) Slechts een fractie van de zorginstellingen beschikt anno 2002 over een integraal kwaliteitssysteem als borg voor verantwoorde zorg."
Met andere woorden: de Kwaliteitswet heeft onvoldoende geleid tot een actieve, integrale aanpak van kwaliteit door het veld.
De eis dat zorg van een kwalitatief verantwoord niveau is, mag niet langer vrijblijvend zijn. De overheid gaat er vanuit dat collectieve middelen doelmatig, en dus ook aan verbetering van de kwaliteit, worden besteed.
Tevens is sprake van een maatschappelijke ontwikkeling waarbij patiënten en consumenten in de zorg meer voor hun rechten gaan opkomen. Ze willen weten welke zorg zij voor hun geld krijgen. Dit acht ik een terechte eis.
Uitgangspunt van de Kwaliteitswet is zelfregulering voor zorginstellingen. De vraag is: voldoet dit nog in alle opzichten aan de eisen van de huidige tijd, of is bijsturing gewenst?
In deze brief doe ik voorstellen voor een aanpak op hoofdlijnen, met als inzet: een betere naleving van de Kwaliteitswet, en betere waarborgen voor goede zorg.
Een actieve aanpak van het kwaliteitsbeleid is hard nodig. Doorslaggevend voor de patiënt is immers dat alle goede ideeën over kwaliteit ook in de praktijk verwezenlijkt worden, met andere woorden: dat de daadwerkelijke zorg voor de patiënt er op vooruit gaat.
Vaak betekent ook tijdige goede zorg preventie, in de zin dat later lijden kan worden voorkomen."
Bron: BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 4 december 2002, TK 2002-2003, 28 439, nr. 2.
De Kwaliteitswet zorginstellingen: algemeen
"Deze wet is gebaseerd op de nieuwe bestuurlijke visie op de verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid en zorgaanbieders en de veranderde inzichten over de wijze waarop ieder aan zijn verantwoordelijkheid gestalte geeft. Bij de modernisering van het kwaliteitsbeleid gaat het om de wijze waarop door beroepsbeoefenaren en instellingen vorm wordt gegeven aan een goede kwaliteit van de hulpverlening en om de wijze waarop door de overheid op de kwaliteit wordt toegezien.
De wet heeft betrekking op instellingen die zorg verlenen. Daaronder vallen de intra- en extramurale voorzieningen voor algemene en geestelijke gezondheidszorg, ouderenzorg en gehandicaptenzorg. Als instellingen gelden volgens de wet de organisatorische verbanden strekkend tot de verlening van zorg. Er is sprake van een organisatorisch verband wanneer er afspraken zijn gemaakt omtrent de organisatie van de werkzaamheden en de verdeling van taken en verantwoordelijkheden. Echter, voor de reikwijdte van de wet is niet alleen het begrip instelling maar ook het begrip zorgaanbieder relevant. De wet rekent tot de zorgaanbieders niet alleen rechtspersonen die één of meer instellingen exploiteren maar ook personen die gezamenlijk een instelling vormen. De samenwerking moet voorts strekken tot de verlening van zorg. Wanneer er sprake is van gestructureerde samenwerking in de zin van de wet, zijn er derhalve duidelijke, de zorg betreffende afspraken welke aan genoemde samenwerking vorm geven.
De wet stelt dat de zorgaanbieders de verantwoordelijkheid dragen voor de kwaliteit van de geleverde zorg: zij dienen zorg van een verantwoord niveau te bieden. De norm verantwoorde zorg sluit aan bij een vergelijkbare norm als goed hulpverlenerschap, alsmede bij de in de Wet BIG in globale termen geformuleerde normen voor de beroepsuitoefening.
De wet houdt niet op bij de eis dat de zorg van een verantwoord niveau dient te zijn. Zij eist bovendien een zodanige structurering van het organisatorische verband en een toerusting met personele en materiële middelen, dat verwacht mag worden dat de geleverde zorg inderdaad verantwoord zal zijn. De wet schrijft geen bepaalde structuren voor: deze zijn immers in hoge mate afhankelijk van de aard van de te verlenen zorg en de vorm en omvang van het organisatorische verband. De wet eist wel een uitdrukkelijke verantwoordelijkheidstoedeling. Wil een organisatie goed functioneren en zorg van behoorlijke kwaliteit leveren, dan is een duidelijke toedeling van taken onontbeerlijk. Duidelijk moet zijn wie waarop kan worden aangesproken."
Bron: TK, 1993-1994, 23 633, nr. 3.
De Kwaliteitswet zorginstellingen: reikwijdte
"Zorg kan worden verleend door een persoon of door een instelling; een tussenvorm is er niet. Zie ook de Ziekenfondswet en de AWBZ, waarin wordt bepaald dat de verzekerde die zijn aanspraak op zorg geldend wil maken, zich wendt tot een (gecontracteerde) persoon of instelling.
De werkingssfeer van de Kwaliteitswet strekt zich uit over alle plaatsen waar zorg wordt verleend door een instelling. Als instelling wordt beschouwd ieder organisatorisch verband dat strekt tot verlening van de zorg. Dit kan zijn een intramurale instelling, van oudsher "inrichting" genoemd, maar ook Riaggs en samenwerkingsverbanden van personen, zoals groepspraktijken van huisartsen of gezondheidscentra, vallen onder het begrip.
Het maakt voor de werking van de Kwaliteitswet niet uit, waar de zorg wordt verleend: alle zorg die wordt verleend door instellingen, zowel binnen de muren van een inrichting, dus intramuraal, als ook extramuraal, bijvoorbeeld in een (door de instelling gehuurde en geëxploiteerde) woning voor gehandicapten of bij patiënten of cliënten thuis, valt onder de reikwijdte van de Kwaliteitswet.
De kwaliteit van zorgverlening door personen (individuele beroepsbeoefenaars) wordt bewaakt door de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Artikel 40 van die wet legt de beroepsbeoefenaars een overeenkomstige plicht op als de Kwaliteitswet de zorgaanbieder in het kader van de instelling, namelijk tot het leveren van verantwoorde zorg."
Bron: BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 13 mei 2003, TK 2002-2003, 28 489, nr. 9.