Infectieziektenwet Wet van 11 juni 1998, houdende regels ter afwending van de gevaren van infectieziekten (Infectieziektenwet),
Stb. 1998, 394,

Iwtr.: 1 april 1999 (KB van 19 maart 1999, Stb. 1999, 143
;


gewijzigd bij:


Wet van 11 november 1999,
Stb. 1999, 498
,

Iwtr.: daags na plaatsing in Staatsblad.



Wet van 18 april 2002 tot wijziging van de Infectieziektenwet in verband met de ziekte van Creutzfeldt-Jakob,
Stb. 2002, 265;


Iwtr: 1 september 2002, Besluit van 26 juli 2002, tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 18 april 2002 tot wijziging van de Infectieziektenwet in verband met de ziekte van Creutzfeldt-Jacob (Stb. 265), Stb. 2002, 436

MvT: TK 2001-2002, 28 084, nr. 3.


Wet van 9 oktober 2003 tot wijziging van de Infectieziektenwet ter incorporatie van het severe acute respiratory syndrome,
Stb. 2003, 475
;

Iwtr.: de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.


Wet van 4 maart 2004, houdende wijziging van de Infectieziektenwet en de Quarantainewet ter bestrijding van de gevaren van pokken, SARS en andere ernstige infectieziekten van hoge letaliteit en besmettelijkheid,
Stb. 2004, 154;


Iwtr.: de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.


Top


De Wet van 11 juni 1998

1. Inleiding
De Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken (Wbi) bevat regels om de verspreiding van infectieziekten onder de bevolking tegen te gaan. Zo zijn bijvoorbeeld artsen verplicht het optreden van bepaalde infectieziekten aan de overheid te melden en is de overheid onder omstandigheden bevoegd personen die gevaar voor besmetting opleveren, af te zonderen. Voor een belangrijk deel stamt deze regeling uit 1928.

Diverse ontwikkelingen hebben aanleiding gegeven tot een herbezinning op deze wet. Allereerst zijn daar de gewijzigde opvattingen over de bescherming van de rechten van de mens, zoals deze onder meer gestalte hebben gekregen in de Grondwet en in internationale verdragen.

Deze rechtsontwikkeling zal ook tot uitdrukking dienen te komen in de wettelijke regeling voor de bestrijding van infectieziekten. Voorts hebben zich sociale veranderingen voltrokken, die hun invloed op het optreden van infectieziekten doen gelden, zoals bijvoorbeeld het ontstaan van andere leefpatronen, het toegenomen reizigersverkeer en wijzigingen in de voedselbereiding en -consumptie. Daarnaast zijn binnen de medische wetenschap grote vorderingen gemaakt. Zo zijn methoden ontwikkeld waarmee in een aantal gevallen eerder dan voorheen ziekteverwekkers kunnen worden aangetoond. Ook zijn effectieve vaccins tot ontwikkeling gebracht, waarvan een aantal via het Rijksvaccinatieprogramma aan de gehele bevolking wordt aangeboden (het DKTP-vaccin en het BMR-vaccin). Ten slotte kunnen sinds de ontdekking van de antibiotica veel infectieziekten op afdoende en relatief eenvoudige wijze worden behandeld.

Verder zijn de wetenschappelijke opvattingen op het terrein van de infectieziektenbestrijding gewijzigd. Algemeen wordt aanvaard dat gezondheidsdiensten continu op de hoogte behoren te zijn van het optreden en het verspreidingspatroon van deze aandoeningen (surveillance van infectieziekten), om bijtijds passende maatregelen te kunnen nemen.

Hoewel de dreiging die van oudsher van infectieziekten op de bevolking uitging verminderde, blijft waakzaamheid geboden. Tegelijkertijd is immers de incidentie van deze ziekten toegenomen. Verder zijn voorheen onbekende ziekten als lassa- en ebolakoorts en legionellose opgetreden, terwijl ook bekende infectieziekten als tuberculose om aandacht blijven vragen. Ook de polio-epidemie in 1992/1993 heeft het belang van waakzaamheid weer eens aangetoond.

In dit kader kan wetgeving niet gemist worden. De huidige wetgeving ter bestrijding van infectieziekten is echter sterk verouderd en voldoet niet meer aan de eisen van deze tijd. Een principieel bezwaar tegen de huidige wet is dat deze onvoldoende waarborgen biedt tegen dwingende maatregelen van de overheid. Het accent ligt – niet verwonderlijk gezien de periode waarin de wet tot stand kwam – op afzondering, en dat niet alleen van de (vermoedelijke) drager van een infectieziekte maar ook van personen in zijn directe omgeving. Daarbij voorziet de wet niet in enige vorm van rechterlijke toetsing, noch in adequate op de situatie toegesneden rechtsbescherming.

Verder bevat de Wbi tal van bepalingen die in de praktijk niet meer worden toegepast. Bovendien is de wet niet goed meer uitvoerbaar. Zo is de wet van toepassing op een naar huidig inzicht onnodig groot aantal infectieziekten. Dat zou de betrekkelijk lage aangiftebereidheid van artsen kunnen verklaren. Tenslotte ontbreekt een heldere verdeling van taken en bevoegdheden tussen de verschillende bij de uitvoering van de wet betrokken instanties.

Aanpassing van de huidige wet aan de gewijzigde inzichten en omstandigheden vergt een zo ingrijpende wijziging, dat gekozen is voor een nieuwe wet. Het wetsvoorstel kwam tot stand op basis van een concept-Infectieziektenwet, opgesteld door een werkgroep van externe deskundigen.


Top


2. Doel van de wet

Het doel van de nieuwe wet is de Wbi te vervangen als rechtsbasis waarop voorzieningen kunnen worden getroffen om de gevaren af te wenden die voortvloeien uit het optreden van infectieziekten bij mensen.

Hierbij wordt enerzijds beseft dat het treffen van dwingende maatregelen gehanteerd dient te worden als een uiterste middel en anderzijds dat zulke maatregelen geen 100% bescherming van de volksgezondheid kunnen garanderen.

Voor het nemen van dwangmaatregelen door de overheid bestaat slechts aanleiding wanneer het gevaar dreigt dat een ziekte ernstige schade kan toebrengen aan de volksgezondheid, terwijl dit gevaar niet op andere wijze effectief kan worden afgewend.

Hoeksteen van de infectieziektenbestrijding blijft de vrijwillige medewerking van de bevolking. Immers een groot percentage van de bevolking laat zich tegen een reeks van ziekten vaccineren en neemt andere preventieve maatregelen. Bovendien blijkt, als een infectieziekte daadwerkelijk optreedt, nagenoeg een ieder bereid zich te laten onderzoeken of zich onder medische behandeling te stellen. Verder kunnen veel infectieziekten effectief worden bestreden door hygiënische maatregelen in de sfeer van waren (met name eet- en drinkwaren) en het milieu (campings, zwemgelegenheden etc.). Dwingende, op individuele personen gerichte maatregelen zijn daarbij als regel overbodig. De in deze wet neergelegde maatregelen hebben daarom een aanvullend karakter, dat wil zeggen aanvullend op hetgeen op vrijwillige grondslag kan worden bereikt.

Bron: MvT bij de Infectieziektenwet, TK 1996-1997, 25 336, nr. 3.


Top


De Wet van 11 november 1999

De Infectieziektenwet voorziet in melding van ziekten behorende tot de groepen A en B door de arts, met vermelding van een aantal persoonsgegevens van de betrokken persoon, waaronder diens naam en adres. Bij ziekten behorende tot groep C daarentegen voorziet de Infectieziektenwet in melding van de vaststelling van de verwekker van de ziekte gemeld door het hoofd van het laboratorium, zonder vermelding van naam en adres van de betrokken persoon, maar met vermelding van de naam van de arts die het onderzoek had aangevraagd. Melding vindt in beide gevallen plaats aan de gemeentelijke gezondheidsdienst.

Een gemeentelijke gezondheidsdienst die een persoon, die besmet is met een tot groep C behorende ziekte, in een brononderzoek wil betrekken kan diens naam en adres dus alleen achterhalen via de arts die het onderzoek had aangevraagd. De arts kan deze gegevens, ingevolge artikel 6, derde lid, Infectieziektenwet, uitsluitend verstrekken indien de betrokkene daarvoor toestemming geeft. Het is duidelijk dat deze werkwijze enige tijd kost. Voor deze procedure is destijds gekozen met het oog op de bescherming van de grondrechten van de besmette persoon.

De Infectieziektenwet plaatst legionellose in artikel 2 in groep C. De legionellose die zich in maart 1999 op de West-Friese Flora manifesteerde was bijzonder ernstig, ook overigens gezonde personen werden getroffen. Als zich in de toekomst vergelijkbare situaties zouden voordoen is het van levensbelang dat de gemeentelijke gezondheidsdienst zo vroeg mogelijk beschikt over naam en adres van besmette personen. Zij kan dan bij ieder nieuw geval snel een onderzoek instellen naar de bron van de besmetting en naar aanleiding van de resultaten daarvan zo nodig maatregelen nemen en waarschuwingen laten uitgaan.

Om die reden acht ik het aangewezen om legionellose in artikel 2 van de Infectieziektenwet te verplaatsen van groep C naar groep B. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de besmette persoon is bij ziekten van groep B weliswaar iets geringer dan bij ziekten van groep C, maar het bovenbeschreven medisch belang vermag deze wijziging naar mijn oordeel te rechtvaardigen.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om ziekte veroorzaakt door enterohaemorrhagische E. coli onder de werking van de Infectieziektenwet te brengen. Dit is een ernstige aandoening van de ingewanden, die met name bij jonge kinderen en bij ouderen voorkomt. Zij kan in zeer ernstige gevallen leiden tot blijvende nierinsufficiëntie of de dood.

Gekozen is voor plaatsing in groep C. Daarmee zal de vaststelling van positieve isolaten van deze bacterie behoren tot de meldingsplicht van het hoofd van het laboratorium.

Redenen voor het toevoegen van deze ziekte zijn enerzijds de ernstige gevolgen waartoe de desbetreffende infecties kunnen leiden en dus het belang van het zo spoedig mogelijk bekend worden van de bron ervan en anderzijds de constatering door de Hoofdinspecteur voor de Gezondheidszorg dat vrijwillige melding door artsen en laboratoria onvoldoende werkt.

Bron: MvT bij de Wet van 11 november 1999, TK 1998-1999, 26 701, nr. 3.


Top
Terug naar: Wetgeving.
Latest update: 29 oktober 2006.
Home