Wet van 18 april 2002 tot wijziging van de
Infectieziektenwet in verband met de ziekte van Creutzfeldt-Jakob,
Stb. 2002,
265;
Iwtr: 1 september 2002, Besluit van 26 juli 2002, tot
vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 18 april 2002
tot wijziging van de Infectieziektenwet in verband met de ziekte van
Creutzfeldt-Jacob (Stb. 265), Stb. 2002, 436
Wet van 9 oktober 2003 tot wijziging van de
Infectieziektenwet ter incorporatie van het severe acute respiratory
syndrome,
Stb. 2003, 475;
Iwtr.: de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Wet van 4 maart 2004,
houdende wijziging van de Infectieziektenwet en de Quarantainewet ter
bestrijding van de gevaren van pokken, SARS en andere ernstige
infectieziekten van hoge letaliteit en besmettelijkheid,
Stb. 2004, 154;
Iwtr.: de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
zij wordt geplaatst.
1. Inleiding
De Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken (Wbi) bevat regels
om de verspreiding van infectieziekten onder de bevolking tegen te gaan. Zo
zijn bijvoorbeeld artsen verplicht het optreden van bepaalde infectieziekten
aan de overheid te melden en is de overheid onder omstandigheden bevoegd
personen die gevaar voor besmetting opleveren, af te zonderen. Voor een
belangrijk deel stamt deze regeling uit 1928.
Diverse ontwikkelingen hebben aanleiding gegeven tot een herbezinning op
deze wet. Allereerst zijn daar de gewijzigde opvattingen over de bescherming
van de rechten van de mens, zoals deze onder meer gestalte hebben gekregen in
de Grondwet en in internationale verdragen.
Deze rechtsontwikkeling zal ook tot uitdrukking dienen te komen in de
wettelijke regeling voor de bestrijding van infectieziekten. Voorts hebben zich
sociale veranderingen voltrokken, die hun invloed op het optreden van
infectieziekten doen gelden, zoals bijvoorbeeld het ontstaan van andere
leefpatronen, het toegenomen reizigersverkeer en wijzigingen in de
voedselbereiding en -consumptie. Daarnaast zijn binnen de medische wetenschap
grote vorderingen gemaakt. Zo zijn methoden ontwikkeld waarmee in een aantal
gevallen eerder dan voorheen ziekteverwekkers kunnen worden aangetoond. Ook
zijn effectieve vaccins tot ontwikkeling gebracht, waarvan een aantal via het
Rijksvaccinatieprogramma aan de gehele bevolking wordt aangeboden (het
DKTP-vaccin en het BMR-vaccin). Ten slotte kunnen sinds de ontdekking van de
antibiotica veel infectieziekten op afdoende en relatief eenvoudige wijze
worden behandeld.
Verder zijn de wetenschappelijke opvattingen op het terrein van de
infectieziektenbestrijding gewijzigd. Algemeen wordt aanvaard dat
gezondheidsdiensten continu op de hoogte behoren te zijn van het optreden en
het verspreidingspatroon van deze aandoeningen (surveillance van
infectieziekten), om bijtijds passende maatregelen te kunnen nemen.
Hoewel de dreiging die van oudsher van infectieziekten op de bevolking
uitging verminderde, blijft waakzaamheid geboden. Tegelijkertijd is immers de
incidentie van deze ziekten toegenomen. Verder zijn voorheen onbekende ziekten
als lassa- en ebolakoorts en legionellose opgetreden, terwijl ook bekende
infectieziekten als tuberculose om aandacht blijven vragen. Ook de
polio-epidemie in 1992/1993 heeft het belang van waakzaamheid weer eens
aangetoond.
In dit kader kan wetgeving niet gemist worden. De huidige wetgeving ter
bestrijding van infectieziekten is echter sterk verouderd en voldoet niet meer
aan de eisen van deze tijd. Een principieel bezwaar tegen de huidige wet is dat
deze onvoldoende waarborgen biedt tegen dwingende maatregelen van de overheid.
Het accent ligt – niet verwonderlijk gezien de periode waarin de wet tot stand
kwam – op afzondering, en dat niet alleen van de (vermoedelijke) drager van een
infectieziekte maar ook van personen in zijn directe omgeving. Daarbij voorziet
de wet niet in enige vorm van rechterlijke toetsing, noch in adequate op de
situatie toegesneden rechtsbescherming.
Verder bevat de Wbi tal van bepalingen die in de praktijk niet meer worden
toegepast. Bovendien is de wet niet goed meer uitvoerbaar. Zo is de wet van
toepassing op een naar huidig inzicht onnodig groot aantal infectieziekten. Dat
zou de betrekkelijk lage aangiftebereidheid van artsen kunnen verklaren.
Tenslotte ontbreekt een heldere verdeling van taken en bevoegdheden tussen de
verschillende bij de uitvoering van de wet betrokken instanties.
Aanpassing van de huidige wet aan de gewijzigde inzichten en omstandigheden
vergt een zo ingrijpende wijziging, dat gekozen is voor een nieuwe wet. Het
wetsvoorstel kwam tot stand op basis van een concept-Infectieziektenwet,
opgesteld door een werkgroep van externe deskundigen.
Het doel van de nieuwe wet is de Wbi te vervangen als rechtsbasis waarop voorzieningen
kunnen worden getroffen om de gevaren af te wenden die voortvloeien uit het
optreden van infectieziekten bij mensen.
Hierbij wordt enerzijds beseft dat het treffen van dwingende maatregelen
gehanteerd dient te worden als een uiterste middel en anderzijds dat zulke
maatregelen geen 100% bescherming van de volksgezondheid kunnen garanderen.
Voor het nemen van dwangmaatregelen door de overheid bestaat slechts
aanleiding wanneer het gevaar dreigt dat een ziekte ernstige schade kan
toebrengen aan de volksgezondheid, terwijl dit gevaar niet op andere wijze
effectief kan worden afgewend.
Hoeksteen van de infectieziektenbestrijding blijft de vrijwillige
medewerking van de bevolking. Immers een groot percentage van de bevolking laat
zich tegen een reeks van ziekten vaccineren en neemt andere preventieve
maatregelen. Bovendien blijkt, als een infectieziekte daadwerkelijk optreedt,
nagenoeg een ieder bereid zich te laten onderzoeken of zich onder medische
behandeling te stellen. Verder kunnen veel infectieziekten effectief worden
bestreden door hygiënische maatregelen in de sfeer van waren (met name eet- en
drinkwaren) en het milieu (campings, zwemgelegenheden etc.). Dwingende, op
individuele personen gerichte maatregelen zijn daarbij als regel overbodig. De
in deze wet neergelegde maatregelen hebben daarom een aanvullend karakter, dat
wil zeggen aanvullend op hetgeen op vrijwillige grondslag kan worden bereikt.
De Infectieziektenwet voorziet in melding van ziekten behorende tot de
groepen A en B door de arts, met vermelding van een aantal persoonsgegevens van
de betrokken persoon, waaronder diens naam en adres. Bij ziekten behorende tot
groep C daarentegen voorziet de Infectieziektenwet in melding van de
vaststelling van de verwekker van de ziekte gemeld door het hoofd van het
laboratorium, zonder vermelding van naam en adres van de betrokken persoon,
maar met vermelding van de naam van de arts die het onderzoek had aangevraagd.
Melding vindt in beide gevallen plaats aan de gemeentelijke gezondheidsdienst.
Een gemeentelijke gezondheidsdienst die een persoon, die besmet is met een
tot groep C behorende ziekte, in een brononderzoek wil betrekken kan diens naam
en adres dus alleen achterhalen via de arts die het onderzoek had aangevraagd.
De arts kan deze gegevens, ingevolge artikel 6, derde lid, Infectieziektenwet,
uitsluitend verstrekken indien de betrokkene daarvoor toestemming geeft. Het is
duidelijk dat deze werkwijze enige tijd kost. Voor deze procedure is destijds
gekozen met het oog op de bescherming van de grondrechten van de besmette
persoon.
De Infectieziektenwet plaatst legionellose in artikel 2 in groep C. De legionellose
die zich in maart 1999 op de West-Friese Flora manifesteerde was bijzonder
ernstig, ook overigens gezonde personen werden getroffen. Als zich in de
toekomst vergelijkbare situaties zouden voordoen is het van levensbelang dat de
gemeentelijke gezondheidsdienst zo vroeg mogelijk beschikt over naam en adres
van besmette personen. Zij kan dan bij ieder nieuw geval snel een onderzoek
instellen naar de bron van de besmetting en naar aanleiding van de resultaten
daarvan zo nodig maatregelen nemen en waarschuwingen laten uitgaan.
Om die reden acht ik het aangewezen om legionellose in artikel 2 van de
Infectieziektenwet te verplaatsen van groep C naar groep B. De bescherming van
de persoonlijke levenssfeer van de besmette persoon is bij ziekten van groep B
weliswaar iets geringer dan bij ziekten van groep C, maar het bovenbeschreven
medisch belang vermag deze wijziging naar mijn oordeel te rechtvaardigen.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om ziekte veroorzaakt door
enterohaemorrhagische E. coli onder de werking van de Infectieziektenwet te
brengen. Dit is een ernstige aandoening van de ingewanden, die met name bij
jonge kinderen en bij ouderen voorkomt. Zij kan in zeer ernstige gevallen
leiden tot blijvende nierinsufficiëntie of de dood.
Gekozen is voor plaatsing in groep C. Daarmee zal de vaststelling van
positieve isolaten van deze bacterie behoren tot de meldingsplicht van het
hoofd van het laboratorium.
Redenen voor het toevoegen van deze ziekte zijn enerzijds de ernstige
gevolgen waartoe de desbetreffende infecties kunnen leiden en dus het belang
van het zo spoedig mogelijk bekend worden van de bron ervan en anderzijds de
constatering door de Hoofdinspecteur voor de Gezondheidszorg dat vrijwillige
melding door artsen en laboratoria onvoldoende werkt.