Gezondheidswet van 18 januari 1956, Stb. 1956/51,


gewijzigd bij:

Wet van 30 januari 1997, houdende wijziging van de Gezondheidswet in verband met de continuering van de Gezondheidsraad, Stb. 1997/104;

Wet van 6 februari 1997 (Aanpassingswet herziening adviesstelsel),
Stb. 1997, 63.


De Gezondheidswet geeft voorschriften met betrekking tot de organen die het nemen van maatregelen inzake public health moeten bevorderen.


Inleiding

Bij de totstandkoming van de Gezondheidswet (Stb. 1956, 51) is gediscussieerd over de taak van de Gezondheidsraad in relatie tot de eveneens bij die wet ingestelde Centrale Raad voor de Volksgezondheid (later opgevolgd door de Nationale Raad voor de Volksgezondheid). In de memorie van toelichting wordt de Gezondheidsraad omschreven als een wetenschappelijk college waarvan de leden, anders dan bij de Centrale Raad, rechtstreeks door de Kroon worden aangewezen op grond van hun deskundigheid (Kamerstukken II 1952/53, 2981, nr. 3, blz. 5). In de memorie van antwoord wordt onder meer aangegeven dat in de gevallen waarin «een maatschappelijke vraag, een vraag van practisch werk of een vraag van wetgeving» aan de orde zou zijn, de Centrale Raad zijn mening kenbaar moest maken; zou het daarentegen om «medisch- of pharmaceutisch-wetenschappelijke vragen» gaan, dan zou de Gezondheidsraad, bestaande uit erkend wetenschappelijke deskundigen, met de beoordeling hiervan worden belast (Kamerstukken II 1954/55, 2981, nr. 5, blz. 5).

Waar de Centrale Raad – naast de taak om door overleg de samenwerking te bevorderen tussen de minister en diverse bij de volksgezondheid betrokken organisaties – tot taak kreeg te adviseren «omtrent onderwerpen, welke van belang zijn voor de volksgezondheid», werd de taak van de Gezondheidsraad beperkt tot «Onze Ministers voor te lichten over de stand der wetenschap ten aanzien van vraagstukken op het gebied van de volksgezondheid». Deze voorlichting kan blijkens de Gezondheidswet worden verschaft in de vorm van een advies.


Aanleiding wetsvoorstel

De door de Gezondheidsraad gegeven voorlichting zal veelal niet uitmonden in een advies met het oog op te voeren regeringsbeleid. Zo bevat de voorlichting in voorkomende gevallen een louter weergeven van wetenschappelijke feiten en inzichten, zonder dat daar een raadgevend oordeel aan is verbonden. Doel van een dergelijke voorlichting –ultrageluid in de fysiotherapie, inhalatiesedatie in de tandheelkunde, typering van weefselantigenen in het bloed van bloeddonoren – is te beschikken over een wetenschappelijk fundament dat ten dienste staat van alle actoren rond een vraagstuk op het terrein van de volksgezondheid.

Het voorgaande sluit echter niet uit dat de Gezondheidsraad toch als een adviescollege als bedoeld in artikel 79 van de Grondwet moet worden aangemerkt. Consequentie hiervan is dat de Gezondheidsraad in het licht van het wetsvoorstel Herzieningswet adviescolleges (Kamerstukken II 1994/95, 24 232, nrs. 1–3) opnieuw (als specialistisch-wetenschappelijk adviescollege) moet worden ingesteld. Daarvoor is zeker grond, nu de behoefte aan de specialistisch-wetenschappelijke voorlichting door de Gezondheidsraad ook in de toekomst – gelet op de steeds sneller voortschrijdende ontwikkelingen op het terrein van de volksgezondheid – blijft bestaan. In het verlengde van de in artikel 22, eerste lid, van de Grondwet aan de overheid gegeven opdracht om maatregelen te treffen ter bevordering van de volksgezondheid, behoort alert reageren of zelfs anticiperen op ontwikkelingen in de wetenschap tot de taak van de overheid. De voorlichting door de Gezondheidsraad geeft daaraan invulling en kan niet worden gemist.


Inhoud van het voorstel

Omdat de voorlichting door de Gezondheidsraad zowel adviserend als feitelijk kan zijn, wordt voorgesteld te spreken over «rapporten» in plaats van «adviezen». Enerzijds kan een rapport de stand der wetenschap bevatten, weergegeven door het louter presenteren van feiten en inzichten, anderzijds kan het tevens een weging van die feiten en inzichten bevatten, waaraan een wetenschappelijk raadgevend oordeel is verbonden.

De bedoeling is dat het onderhavige voorstel tot instelling van de Gezondheidsraad als specialistisch-wetenschappelijk adviescollege tegelijk met het wetsvoorstel Kaderwet adviescolleges (Kamerstukken II, 1995/96, 24 503, nrs. 1–3) op 1 januari 1997 in werking zal treden.

Het wetsvoorstel Kaderwet adviescolleges bevat regels ter inrichting van het nieuwe adviesstelsel van het Rijk. Deze regels hebben betrekking op de instelling, benoeming, samenstelling, inrichting en werkwijze van adviescolleges alsmede het werkprogramma en enkele andere daarmee samenhangende onderwerpen en zijn derhalve in ieder geval van toepassing op de adviezen van de Gezondheidsraad. Omdat de Gezondheidsraad in een groot aantal gevallen rapporten uitbrengt die geen beleidsadvies bevatten, wordt in artikel 23 voorgesteld dat voor de toepasselijkheid van de regels van de Kaderwet adviescolleges en artikel 9 van de Wet openbaarheid van bestuur dergelijke rapporten worden gelijkgesteld aan adviezen. Op die manier blijven de rapporten van de Gezondheidsraad onder een zelfde wettelijk regiem vallen, of ze adviserend zijn of niet. Niettemin is de Gezondheidsraad – nu veelal geen sprake is van beleidsadviezen zoals omschreven in Raad op maat – in relevante opzichten niet vergelijkbaar met andere «gewone» adviescolleges, hetgeen tot gevolg heeft dat op een aantal punten van het wetsvoorstel Kaderwet adviescolleges moet worden afgeweken.

Bron: MvT, TK 1995–1996, 24 684, nr. 3 2.


Top
Terug naar: Wetgeving.
Latest update: 29 oktober 2006.
Home