Wet van 8 november 2001, houdende regels betreffende terbeschikkingstelling en gebruik van foetaal weefsel (Wet foetaal weefsel), Stb. 2001, 573;

Iwtr.: 1 september 2002 (Besluit van 5 juli 2002, houdende inwerkingtreding van de Wet foetaal weefsel,
Stb. 2002, 365.


Wet foetaal weefsel
In de gezondheidszorg wordt in toenemende mate gebruik gemaakt van humaan materiaal. Voor wetenschappelijke doeleinden, maar ook voor therapeutische of diagnostische toepassingen kan gebruik van lichaamsmateriaal waardevol zijn. Veelal gaat het om lichaamsmateriaal dat ter beschikking is gekomen bij behandeling of diagnostiek van patiënten.

Daarnaast nemen echter ook de mogelijkheden toe om foetaal weefsel voor dergelijke doeleinden te gebruiken. Dergelijke toepassingen moeten naar onze mening niet plaats vinden zonder gedegen wettelijke waarborgen voor de ter beschikking stelling.

Ten behoeve van de regeling van zeggenschap over lichaamsmateriaal dat bij geneeskundige behandeling of diagnostiek ter beschikking komt en voor andere doeleinden wordt bewaard of gebruikt wordt een wetsvoorstel opgesteld. In het kabinetsstandpunt «Gebruik lichaamsmateriaal» (kamerstukken II, 1996/98 25 284, nr. 1) zijn de contouren hiervan geschetst. De vraag of in dit kader onder lichaamsmateriaal eveneens foetaal weefsel moet worden begrepen is door het toenmalige kabinet tijdens het Algemeen Overleg over het kabinetsstandpunt op 14 mei 1997 ontkennend beantwoord. De omstandigheden waaronder foetaal weefsel ter beschikking komt verschillen zo sterk van de omstandigheden waaronder lichaamsmateriaal als bedoeld in het kabinetsstandpunt ter beschikking komt dat onderbrengen van deze twee onderwerpen in één regeling niet raadzaam is. Het omgaan met foetaal weefsel vraagt bijzondere piëteit en daarom specifiek op de situatie toegesneden regelgeving.

Bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel op de orgaandonatie in 1995 is ook reeds aandacht besteed aan de vraag of foetaal weefsel gebruikt mag worden voor transplantatiedoeleinden. Oorspronkelijk viel die toepassing onder de reikwijdte van het voorstel voor die regeling. Diverse fracties waren echter van mening, en de regering kon in die argumentatie meegaan, dat postmortale orgaandonatie door volwassenen van een heel andere aard is dan gebruik van foetaal weefsel voor transplantatiedoeleinden. De regering heeft toen dan ook, mede omdat, voor zover haar bekend, op dat moment in Nederland nog geen klinische toepassingen plaatsvonden, het desbetreffende amendement overgenomen. Daarmee is een verbod tot stand gekomen om bestanddelen van een menselijke vrucht te gebruiken voor transplantatiedoeleinden.

Sindsdien is een aantal jaren verstreken. In de tussentijd hebben zeven organisaties in de gezondheidszorg aangegeven dat het verbod ernstige bezorgdheid heeft gewekt bij de behandelaren van patiënten die mogelijk in de toekomst aangewezen zijn op het gebruik van foetaal weefsel voor therapeutische toepassingen. Naar aanleiding hiervan is aan de Gezondheidsraad gevraagd of de stand van de wetenschap zo ver is gevorderd dat de verbodsbepaling daadwerkelijk de ontwikkeling van een veelbelovende toepassing in de weg staat. In december 1997 heeft de Gezondheidsraad in antwoord op deze vraag het advies «Transplantatie van foetaal weefsel» uitgebracht. De Gezondheidsraad beantwoordt de vraag bevestigend.

De in het advies beschreven voorbeelden van klinische en experimentele toepassingen tonen, naar onze mening, voldoende het belang aan van het gebruik van foetaal weefsel voor transplantatiedoeleinden. Het gebruik van foetaal weefsel dient echter, zoals gezegd, aan strikte wettelijke voorwaarden te worden gebonden. Wij kunnen dan ook niet volstaan met het schrappen van het verbod in de Wet op de orgaandonatie, ook al omdat foetaal weefsel ook voor andere doeleinden in de gezondheidszorg wordt gebruikt.

Regeling van het onderwerp in het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel inzake handelingen met geslachtscellen en embryo’s zou voor de hand liggen. Dat wetsvoorstel heeft tot doel wettelijke bescherming te creëren voor embryo’s en foetussen. Een regeling voor gebruik van foetaal weefsel kan een logisch sluitstuk vormen van een dergelijke wettelijke regeling. Dit wetsvoorstel behelst echter een buitengewoon complexe materie die nog veel aandacht en tijd zal vragen bij de voorbereiding en de behandeling. De adviezen van de Gezondheidsraad over IVF («Het Planningsbesluit IVF» en «IVF: afrondende advisering») maken dit duidelijk. Wij hebben dan ook voorkeur voor een apart wetsvoorstel inzake gebruik van foetaal weefsel. Het onderwerp kan dan de bijzondere aandacht krijgen die het verdient. Deze regeling kan eventueel later als apart hoofdstuk een plaats krijgen in de regeling inzake handelingen met geslachtscellen en embryo’s. Bij brief van 20 maart 1998, waarmee het laatste IVF-advies aan de Tweede Kamer werd aangeboden, is dit reeds aan de Tweede Kamer meegedeeld.&

Bron: MvT, TK 1998–1999, 26 639, nr. 3.


Top


“Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel foetaal weefsel is veel aandacht besteed aan het reglement dat de instellingen waar foetaal weefsel ter beschikking komt, moeten opstellen op grond van artikel 6 van de Wet foetaal weefsel. Er is toen aangegeven dat door de beroepsgroep een modelreglement zou worden opgesteld teneinde landelijke uniformiteit te bevorderen en het de instellingen te vergemakkelijken aan de reglementsverplichting te voldoen.

Het doet mij een genoegen u ter kennisneming bijgaand een exemplaar van het modelreglement toe te kunnen sturen.”

Bron: Brief minister VWS inzake aanbieding van het modelreglement voor instellingen waar foetaal weefsel ter beschikking komt, 11 juli 2002,
EK 2001–2002, 26 639, nr. 132a.


Top


“Bij gelegenheid van de behandeling van het wetsvoorstel Foetaal weefsel in de Eerste Kamer is door de toenmalige Minister van VWS onder meer toegezegd een onderzoek te laten instellen naar de consequenties van het wetsvoorstel ten aanzien van commerciële belangen. Naar aanleiding daarvan is aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend onderzoek naar commercieel gebruik van foetaal weefsel, alsmede naar zulk gebruik van ander lichaamsmateriaal.

Onlangs heeft het RIVM zijn rapport ter zake met de titel «Inventarisatie van bedrijven die bewerkt lichaamsmateriaal (willen) gaan afleveren» uitgebracht. Dit rapport geeft inzicht in (voorgenomen) activiteiten met bewerkt lichaamsmateriaal, althans voor zover er sprake is van «openlijke activiteiten», dat wil zeggen activiteiten waarover men vrijwillig informatie heeft willen verstrekken.

Uit het overzicht lijkt ten eerste te mogen worden afgeleid dat op dit moment Nederlandse bedrijven slechts in beperkte mate lichaamsmateriaal (willen) gebruiken voor commerciële geneeskundige doeleinden. Ten tweede lijkt te mogen worden geconcludeerd dat het daarbij – in ieder geval op dit moment – geen embryonaal of foetaal materiaal betreft.

Het rapport geeft uiteraard geen inzicht in activiteiten die men vooralsnog voor zich wil en mag houden. Immers, tenzij regelgeving dwingt tot het desgevraagd wèl verschaffen van informatie, heeft men het volste recht om gevraagde informatie niet te verstrekken.

In dit verband wil ik er op wijzen dat inmiddels het voorstel van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal (WVKL) voor wat betreft foetale weefsels en bestanddelen van embryo’s die bedoeld zijn voor gebruik bij een geneeskundige behandeling, voorziet in de verplichte aanbieding daarvan aan erkende orgaanbanken. Verder bevat het wetsvoorstel een bepaling die impliceert dat de functie van orgaanbank niet voornamelijk zal kunnen worden uitgevoerd met het oog op het daarmee behalen van winsten. Dat wil niet zeggen dat een commercieel bedrijf niet een erkenning als orgaanbank zou kunnen krijgen. Maar zoals ik in de memorie van antwoord naar aanleiding van het voorlopig verslag van de Eerste Kamer over het voorstel voor de WVKL heb toegelicht, zal bij de beslissing op een verzoek om erkenning als orgaanbank ook worden nagegaan of voldaan wordt aan de voorwaarde dat de functie van orgaanbank niet tot statutair doel heeft de winst die de orgaanbank met zijn activiteiten maakt, uit te keren aan zijn oprichters, bestuurders of andere belanghebbenden, bijvoorbeeld in de vorm van winstdelende obligaties. Die voorwaarde betekent ook dat de opbrengsten die resulteren uit de orgaanbankfunctie binnen de instelling moeten blijven. Een en ander impliceert voorts dat er een heldere scheiding, zowel in de taken alsook in financieel opzicht, dient te zijn tussen de orgaanbankfunctie en de overige commerciële functies van het bedrijf. Het voorgaande laat uiteraard onverlet dat het bedrijf een product ontwikkelt op basis van het lichaamsmateriaal, waarvoor vervolgens wanneer het op de markt mag worden gebracht een commerciële prijs betaald moet worden.

Tot slot merk ik op te verwachten dat de WVKL en de op artikel 8 daarvan gebaseerde algemene maatregel van bestuur niet alleen hun uitwerking zullen hebben op de kwaliteit en veiligheid van het lichaamsmateriaal, maar ook tot gevolg zullen hebben dat er in de toekomst ook een redelijk nauwkeurig inzicht zal zijn van het (voorgenomen) gebruik voor geneeskundige behandeling van hetzij commercieel, hetzij niet-commercieel bewaard lichaamsmateriaal.

Bron: Brief staatssecretaris VWS over het RIVM-rapport over het commercieel gebruik van foetaal weefsel en ander lichaamsmateriaal, 20 januari 2003, EK 2002–2003, 26 639, nr. 146.


Top


“Bij brief van 18 november 2003 (Niet-dossierstuk 2003–2004, vws0301703, Tweede Kamer) is u bericht over het voornemen om een gecombineerd kabinetsstandpunt uit te brengen op de twee adviezen over stamcellen die de Gezondheidsraad eerder (in vervolg op adviesaanvragen van de toenmalige Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport mevrouw Borst) heeft uitgebracht. Het gaat daarbij om het advies «Stamcellen voor weefselherstel» (uitgebracht in de zomer van 2002) respectievelijk het advies «Hematopoietische stamcellen» (uitgebracht in de zomer van 2003). In bedoelde brief is verder aangekondigd dat het standpunt tevens het antwoord op de motie betreffende het herleidbaar opslaan van navelstrengbloed in erkende orgaanbanken (Kamerstukken II 2001/2002, 27 844, nr. 12) zal bevatten.

De aanleiding voor de beide adviesaanvragen was onder meer de suggestie zoals die toen door de literatuur werd gewekt, dat het gebruik van stamcellen op termijn mogelijk ook zou kunnen leiden tot materiaal dat bruikbaar is voor bepaalde transplantatiedoeleinden. Alsdan zou eveneens een bijdrage aan het verminderen van het orgaantekort kunnen worden gerealiseerd, en zou daarmee ook sprake kunnen zijn van een alternatief voor xenotransplantatie.

Mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen geef ik in het onderstaande het kabinetsstandpunt op hoofdlijnen op de beide adviezen van de Gezondheidsraad weer, na een korte samenvatting van de adviezen. ln de bijlage1 bij deze brief is meer gedetailleerd daarop ingegaan, aan de hand van de afzonderlijke conclusies en aanbevelingen van de raad.”

Bron: Kabinetsstandpunt op de adviezen "Stamcellen voor weefherstel" (zomer 2002) en "Hematopoietische stamcellen" (zomer 2003) van de Gezondheidsraad, 30 juni 2004, TK 2003–2004, 29 200 XVI, nr. 263.

Top
Terug naar: Wetgeving.
Latest update: 28 oktober 2006.
Home