Iwtr: 1 september 2002
(Besluit van 4
juli 2002, houdende inwerkingtreding van de Embryowet, Stb. 2002, 359).
Toelichting
Embryowet
Gekozen is voor een
systeem van normering, formulering van rechten en afbakening van
verantwoordelijkheden enerzijds en protocollering, verslaglegging en rapportage
anderzijds. In het onderstaande wordt allereerst aangegeven hoe het systeem is
opgezet. Vervolgens worden de hoofdlijnen van het wetsvoorstel geschetst die in
de volgende paragrafen van de toelichting nader worden besproken.
Het wetsvoorstel trekt
concrete grenzen door enkele handelingen met geslachtscellen of embryo’s totaal
te verbieden. Andere handelingen mogen slechts plaats vinden voor in de wet
aangegeven doeleinden en onder wettelijke geregelde voorwaarden. Dit houdt in
dat meerderjarigen onder in het wetsvoorstel geformuleerde voorwaarden
geslachtscellen of embryo’s ter beschikking kunnen stellen voor ander gebruik
dan de eigen zwangerschap.
Het kan gaan om reeds beschikbare geslachtscellen en
embryo’s die niet meer voor een eigen zwangerschap worden gebruikt, maar ook om
geslachtscellen die met het oog op dat andere gebruik zijn verkregen en om
embryo’s die uitsluitend voor dat andere gebruik tot stand zijn gebracht. Ander
gebruik kan zijn gebruik voor de zwangerschap van een ander (donatie), voor
wetenschappelijk onderzoek of voor het in kweek brengen van embryonale cellen.
Dit laatste verkeert thans nog in het stadium van wetenschappelijk onderzoek.
Aan regulier gebruik van geslachtscellen en embryo’s voor de eigen zwangerschap,
in het kader van IVF of kunstmatige inseminatie donor, stelt het wetsvoorstel
geen bijzondere eisen.
Aan het verrichten van
wetenschappelijk onderzoek met embryo’s die na of bij dat onderzoek teloor
zullen gaan stelt het wetsvoorstel strikte voorwaarden.
Ook aan
wetenschappelijk onderzoek met embryo’s waarmee zwangerschap tot stand wordt
gebracht en aan wetenschappelijk onderzoek met een foetus in de baarmoeder
stelt het wetsvoorstel strikte voorwaarden.
Evaluatie
Embryowet
De Embryowet – op 1 september 2002 in werking getreden – stelt grenzen aan
handelingen met geslachtscellen en embryo’s door te verbieden wat ontoelaatbaar
wordt geacht en andere handelingen aan voorwaarden te binden. De wetgever heeft
getracht een evenwicht te vinden tussen respect voor de menselijke waardigheid
en het menselijk leven en andere waarden, zoals de genezing van zieken of de
bevordering van hun gezondheid en het welzijn van onvruchtbare paren en het
toekomstige kind.
Uit respect voor het menselijk leven stelt de wet voorwaarden
en grenzen aan het gebruik van geslachtscellen en embryo’s en beperkt de wet de
doeleinden waarvoor deze mogen worden gebruikt. Uitgangspunt is dat de meeste
groepen in de samenleving zich in de gemaakte afwegingen moeten kunnen vinden
en dat de keuzes een zekere bestendigheid hebben bij voortschrijding van de
medische mogelijkheden.
Gekozen is voor een systeem van normering, formulering
van rechten en afbakening van verantwoordelijkheden enerzijds en
protocollering, verslaglegging en rapportage anderzijds. De wet bevat de
constructie dat het verbod om een embryo speciaal tot stand te brengen en te
gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek en andere doeleinden dan het
bewerkstelligen van een zwangerschap, vervalt op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip. De voordracht voor dit besluit wordt gedaan binnen vijf jaar
na de inwerkingtreding van de wet.
Nederland heeft rekening te houden met het
Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde (VRMB). De
belangrijkste bepaling in verband met de Embryowet verplicht een verdragstaat
het embryo voldoende bescherming te bieden indien de wet het doen van onderzoek
met embryo’s toelaat. Dit verdrag, dat ook enkele relevante additionele
protocollen kent, is door Nederland ondertekend maar nog niet geratificeerd.
Bron: Evaluatie Embryowet, Den Haag: ZonMw, januari 2006, Reeks evaluatie
regelgeving: deel 20, door de staatssecretaris van VWS aangeboden aan de TK op 9 maart 2006.
Bij brief van
19 mei 2006 meldt de staatssecretaris van VWS aan de TK dat deze uiterlijk in september
2006 haar reactie op de evaluatie van de Embryowet tegemoet kan zien.
Mede namens de minister van Justitie heeft staatssecretaris Ross de Tweede Kamer het standpunt op de evaluatie van de Embryowet vandaag aangeboden.Volgens de bewindslieden levert de evaluatie een gemengd beeld over de wenselijkheid van de opheffing van het speciaal tot stand brengen van embryo’s. Het besluit over het verbod moet voor 1 september 2007 worden genomen.
De Embryowet wordt wel op punten aangepast. Iedere individuele donatie van eicellen voor een zwangerschap van een ander moet getoetst worden door de medisch-ethische toetsingscommissie en de aanbeveling om de donatie door een onafhankelijke psychosociale counsellor te laten toetsen wordt overgenomen. Aan de beroepsgroep wordt om een richtlijn gevraagd over de beperking van gezondheidsrisico’s bij donatie van eicellen.
Het verbod op financieel gewin bij terbeschikkingstelling van geslachtscellen en embryo’s blijft in stand. De in de Evaluatie Embryowet aanbevolen versoepeling van het verbod op geslachtsselectie wordt niet overgenomen