Recognition in the Netherlands


The Dutch legislation on professional recognition


Act of 15 December 1993, houdende regelen betreffende een algemeen stelsel van erkenning van de in de Lidstaten van de Europese Gemeenschappen behaalde hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van tenminste drie jaren worden afgesloten
(Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's),
Stb. (Staatsblad; i.e. Official Journal, OJ) 1994, 29.

Entry into force: the day after its publication in the Staatsblad (Decree of 29 December 1993, OJ 1994, 30).

This Act is the transposition into Dutch legislation of Council Directive 89/48/EEC of 21 December 1988 on a general system for the recognition of higher-education diplomas awarded on completion of professional education and training of at least three years' duration [Official Journal L 19 of 24.01.1989].

Top

Act of 29 June 1994, houdende regels inzake een algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen in de Europese Gemeenschappen
(Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen),
OJ 1994, 640.

Entry into force: 31 August 1994 (Decree of 29 July 1994, OJ 1994, 641).

This Act is the transposition into Dutch legislation of Council Directive 92/51/EEC of 18 June 1992 on a second general system for the recognition of professional education and training to supplement Directive 89/48/EEC [Official Journal L 209 of 24.07.1992].

Top

Act of 11 November 1993, houdende regelen inzake beroepen op het gebied van de individuele gezondheidszorg,
(Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg [Wet BIG]),
OJ 1993, 655.

Entry into force: partly 1 December 1995, subsequently in phases.

Chapter VI of this Act (the articles 41 to 46) contains the régime concerning the admission of applicants with foreign professional qualifications into the NL-regulated professions in healthcare:


Hoofdstuk VI. Buitenslands gediplomeerden

§ 1. Beroepen waarop het stelsel van registratie en beroepstitelbescherming van toepassing is

Artikel 41
1. In afwijking van het in artikel 6, onder a, bepaalde wordt aan een persoon die niet voldoet aan de ter zake van de genoten opleiding bij of krachtens hoofdstuk III voor inschrijving in een register gestelde eisen, inschrijving in het register deswege niet geweigerd:
a. indien hij in het buitenland een door Onze Minister aangewezen getuigschrift heeft verkregen dat geldt als bewijs van een verworven vakbekwaamheid die geacht kan worden gelijkwaardig te zijn aan de vakbekwaamheid welke uit het voldoen aan vorenbedoelde eisen mag worden afgeleid;
b. indien Onze Minister, gelet op een door de betrokkene in het buitenland verkregen getuigschrift en op de daarnaast opgedane beroepservaring en gevolgde opleiding, hem op aanvrage een verklaring heeft afgegeven, inhoudende dat tegen zijn inschrijving in het register voor wat zijn vakbekwaamheid betreft geen bedenkingen bestaan;
c. indien aan hem ten aanzien van het betrokken beroep een EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s dan wel in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen is afgegeven.

2. Onze Minister kan ten aanzien van een door hem krachtens het eerste lid, onder a, aangewezen getuigschrift de toepasselijkheid van deze bepaling op belanghebbenden afhankelijk stellen van de nationaliteit der betrokkenen, met dien verstande evenwel dat die bepaling ten aanzien van een aangewezen getuigschrift van een lid-Staat der Europese Economische Gemeenschap alsmede van een andere overeenkomstsluitende staat in elk geval van toepassing dient te zijn op de onderdanen van de lid-Staten van die gemeenschap.

3. Bij afgifte van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, onder b, kan Onze Minister daarin bepalen:
a. dat de gelet op die verklaring tot stand gekomen inschrijving in het register op een in de verklaring aangegeven tijdstip zal worden doorgehaald;
b. dat de betrokkene, in het register ingeschreven staande, zijn beroep slechts zal mogen uitoefenen met inachtneming van in de verklaring omschreven beperkingen.

4. Behoudens in bijzondere gevallen kan een verklaring zonder toepassing van het derde lid slechts worden afgegeven, indien het door de betrokkene in het buitenland verkregen getuigschrift naar het oordeel van Onze Minister kan gelden als bewijs van verworven vakbekwaamheid die de in het eerste lid, onder a, bedoelde gelijkwaardigheid bezit.

5. Onze Minister stelt voor elk daarvoor in aanmerking komend beroep een commissie van deskundigen in, die tot taak heeft hem op zijn verzoek of uit eigen beweging van advies te dienen inzake de toepassing van dit artikel en ten aanzien van het afgeven van een EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s dan wel in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen. Bij algemene maatregel van bestuur worden de samenstelling, taak en werkwijze van de commissie geregeld. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het afleggen van een kennis- en vaardighedentoets en het daarvoor in rekening te brengen tarief.

6. Van een besluit krachtens het eerste lid, onder a, of het tweede lid, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 42
1. Onverminderd het in artikel 6, onder b tot en met d, bepaalde wordt de inschrijving van een persoon op wie artikel 41 van toepassing is, geweigerd indien te zijnen aanzien een maatregel, berustende op een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing, van kracht is, op grond waarvan hij zijn rechten ter zake van de uitoefening van het betrokken beroep in het land waar de beslissing gegeven is, geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, heeft verloren.

2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld, waarbij wordt bepaald:
a. welke gegevens of bescheiden bij de aanvrage om een verklaring als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, aan Onze Minister moeten worden verstrekt of overgelegd en op welke wijze haar indiening behoort te geschieden;
b. welke bewijsstukken omtrent de toepasselijkheid van artikel 41 aan Onze Minister moeten worden overgelegd bij de aanvrage om inschrijving in het register met toepassing van dat artikel.

3. Onverminderd het in artikel 7 bepaalde, wordt in gevallen waarin toepassing werd gegeven aan artikel 41, derde lid, onder a, de inschrijving van de betrokkene op het daarvoor geldende tijdstip doorgehaald. Een met toepassing van artikel 41 tot stand gekomen inschrijving wordt voorts doorgehaald ingeval ten aanzien van de betrokkene omstandigheden als bedoeld in het eerste lid inmiddels zijn ingetreden of alsnog bekend geworden.

4. Bij inschrijving van een persoon in het register met toepassing van artikel 41 wordt in het register een desbetreffende aantekening geplaatst, waarbij, ingeval Onze Minister toepassing heeft gegeven aan het derde lid van dat artikel, tevens wordt omschreven hetgeen daarbij is bepaald.

5. Van de totstandkoming van een inschrijving ten aanzien waarvan toepassing werd gegeven aan artikel 41, derde lid, wordt op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze kennisgegeven, met omschrijving van hetgeen daarbij werd bepaald. Van een krachtens het derde lid van het onderhavige artikel verrichte doorhaling van een inschrijving wordt eveneens op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze kennisgegeven. In kennisgevingen als bedoeld in het onderhavige lid worden de naam en de woonplaats van de betrokkene vermeld.

6. Onverminderd hetgeen ingevolge artikel 12, tweede lid, met betrekking tot de ingeschrevene geldt, wordt aan een ieder die zulks verlangt, medegedeeld of een inschrijving in het register met toepassing van artikel 41 is tot stand gekomen, met, ingeval ten aanzien van de aldus tot stand gekomen inschrijving toepassing werd gegeven aan het derde lid van dat artikel, een omschrijving van hetgeen daarbij werd bepaald.

Artikel 43
1. Ten aanzien van een onderdaan van een lid-Staat der Europese Economische Gemeenschap of van een andere overeenkomstsluitende staat, die buiten Nederland in een der lid-Staten van die gemeenschap dan wel in een van de andere overeenkomstsluitende staten gevestigd is als beoefenaar van een in artikel 3 genoemd beroep en aan de in het tweede lid omschreven voorwaarden voldoet, blijven ter zake van de diensten die hij in de uitoefening van dat beroep verleent aan een persoon hier te lande, buiten toepassing:
a. het in artikel 4, tweede lid, gestelde verbod, voor zover het de titel betreft, waarvan het voeren voorbehouden is aan degenen die in de op dat beroep betrekking hebbende hoedanigheid in het desbetreffende register ingeschreven staan;
b. het in artikel 35, eerste lid, gestelde verbod, voor zover het handelingen betreft, waartoe de onder a bedoelde personen bevoegd zijn.

2. De in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn:
a. de betrokkene dient in een der lid-Staten dan wel in een van de andere overeenkomstsluitende staten een op de bekwaamheid tot het uitoefenen van zijn beroep betrekking hebbend getuigschrift te hebben verkregen, dat krachtens artikel 41, eerste lid, onder a, is aangewezen;
b. zijn rechten ter zake van de uitoefening van zijn beroep in de lid-Staat onderscheidenlijk een andere overeenkomstsluitende staat waar hij gevestigd is mogen aan geen beperkingen krachtens een maatregel als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderworpen zijn;
c. de betrokkene dient aan Onze Minister te hebben gemeld dat hij als beoefenaar van het desbetreffende beroep in Nederland diensten verleent en dient de volgende bescheiden te hebben overgelegd:
1°. een bewijsstuk, niet ouder dan twaalf maanden, waaruit blijkt dat hij de desbetreffende werkzaamheden in de lid-Staat onderscheidenlijk de andere overeenkomstsluitende staat waar hij gevestigd is, wettig uitoefent;
2°. een bewijsstuk dat hij het onder a bedoelde getuigschrift heeft verkregen.

3. In geval van een dienstverlening in Nederland, ten aanzien waarvan het eerste lid van toepassing is, is de betrokkene, indien de in dat lid, onder a, bedoelde personen aan tuchtrechtspraak overeenkomstig deze wet onderworpen zijn, ter zake van hetgeen door hem in het kader van die dienstverlening wordt verricht, eveneens aan bedoelde rechtspraak onderworpen en wordt hij ter zake van deze verrichtingen voor de toepassing van artikel 96 met die personen gelijkgesteld.

Artikel 44
1. Voor de toepassing van de artikelen 41, eerste lid, onder a, en tweede lid, en 43, tweede lid, onder a, wordt met een onderdaan van een lid-Staat der Europese Economische Gemeenschap onderscheidenlijk een andere overeenkomstsluitende staat, die in het bezit is van een krachtens eerstgenoemde bepaling aangewezen getuigschrift van een der lid-Staten van die gemeenschap onderscheidenlijk een andere overeenkomstsluitende staat, gelijkgesteld de onderdaan van een lid- Staat onderscheidenlijk een andere overeenkomstsluitende staat, die vóór een door Onze Minister vast te stellen tijdstip een op de bekwaamheid tot het uitoefenen van zijn beroep betrekking hebbend ander getuigschrift van een der lid-Staten onderscheidenlijk een andere overeenkomstsluitende staat heeft verkregen indien hij, blijkens een door een lid-Staat onderscheidenlijk een andere overeenkomstsluitende staat afgegeven verklaring, zijn beroep in de loop van een door Onze Minister aangegeven tijdvak, aan de afgifte van die verklaring voorafgaande, tenminste gedurende een door Onze Minister aangegeven aaneengesloten periode daadwerkelijk en op wettige wijze heeft uitgeoefend.

2. Onze Minister kan bepalen dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is ten aanzien van een onderdaan van een lid-Staat der Europese Economische Gemeenschap of van een andere overeenkomstsluitende staat, die een op de bekwaamheid tot het uitoefenen van zijn beroep betrekking hebbend ander getuigschrift van een der lid-Staten of van een andere overeenkomstsluitende staat heeft verkregen ter afsluiting van een opleiding betreffende een door Onze Minister aangewezen beroep, welke vóór het krachtens het vorige lid vastgestelde tijdstip is aangevangen en eerst nadien is voltooid.
3. De krachtens het eerste lid vast te stellen tijdstippen, tijdvakken en perioden kunnen voor onderscheidene categorieën van gevallen verschillend zijn.


§ 2. Beroepen waarop het stelsel van opleidingstitelbescherming van toepassing is

Artikel 45

1. Ten aanzien van degenen
a. die in het buitenland een door Onze Minister aangewezen getuigschrift hebben verkregen dat geldt als bewijs van een verworven vakbekwaamheid die geacht kan worden gelijkwaardig te zijn aan de vakbekwaamheid welke uit het voldoen aan de desbetreffende krachtens artikel 34, eerste lid, gestelde eisen mag worden afgeleid,
b. aan wie Onze Minister, gelet op een door de betrokkene in het buitenland verkregen getuigschrift en op de daarnaast opgedane beroepservaring en gevolgde opleiding, op aanvrage een verklaring heeft afgegeven, inhoudende dat hun vakbekwaamheid gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig kan worden geacht aan de vakbekwaamheid welke uit het voldoen aan de desbetreffende krachtens artikel 34, eerste lid, gestelde eisen mag worden afgeleid, of,
c. aan wie Onze Minister ten aanzien van het betrokken beroep een EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiplopa’s dan wel in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen heeft afgegeven, blijft het in artikel 34, vierde lid, gestelde verbod, voor zover het de titel betreft waarvan het voeren op grond van het derde lid van dat artikel voorbehouden is aan degenen die voldoen aan de desbetreffende krachtens artikel 34, eerste lid, gestelde eisen, buiten toepassing.

2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover ten aanzien van de betrokkene een maatregel, berustende op een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing, van kracht is, op grond waarvan hij zijn rechten ter zake van de uitoefening van het betrokken beroep in het land waar de beslissing gegeven is, geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, heeft verloren.

3. De artikelen 41, tweede, vijfde en zesde lid, en 42, tweede lid, onder a, zijn van overeenkomstige toepassing.

4. Voor de toepassing van artikel 96, derde lid, wordt met degene die voldoet aan de krachtens artikel 34, eerste lid, gestelde eisen gelijkgesteld degene die in het bezit is van een krachtens het eerste lid, onder a, aangewezen getuigschrift of aan wie een verklaring als bedoeld in het eerste lid, onder b, is afgegeven.


§ 3. Algemene bepaling

Artikel 46

In hetgeen verder ter uitvoering van de richtlijnen der Europese Economische Gemeenschap alsmede van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en van de op 21 juni 1999 te Luxemburg totstandgekomen Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16 en 86), betreffende beoefenaren van beroepen op het gebied van de individuele gezondheidszorg regeling behoeft, wordt voorzien door Onze Minister.

(Text valid on: 14-08-2006)


Top


Dutch recognition in practice


1. Different treatment

The Dutch legislation concerning the recognition of professional qualifications for regulated professions in healthcare is in conformity with the European system of recognition.
Thus it makes a general distinction between on the one hand applicants who acquired their professional qualifications within the EEA or Switzerland (NB: vide infra, sub 2) and those who did not.

More information: http://www.beroepserkenning.nl.

Top



2. Holders of diplomas granted in the EEA and Switzerland or of professional qualifications declared to be of equal value by one or more of these states

These applicants are entitled to recognition of their professional qualifications according to the procedures for mutual recognition set out in the sectoral Directives and in the Directives on the General System.

Top



3. The other applicants

Diploma holders whose qualifications cannot be recognized according to the procedures described above, need to apply to the Dutch Ministry of Health, Welfare and Sport for a so-called "Verklaring omtrent vakbekwaamheid" (i.e. Declaration on professional skills), with which -if they meet the legal requirements- they can be admitted to the regulated profession in question.

Such applications are decided upon by the Minister of Health, Welfare and Sport, having heard the Committee on Holders of Foreign Qualifications in Health Care, that was instituted by the Regulation of the Minister of Health, Welfare and Sport of 17 February 1998, nr. CSZ/BO 982107.

This commission bases its advice primarily on the documentation to be provided by the applicant and -if needed- on the diploma evaluation by the Netherlands organization for international cooperation in higher education (Nuffic) or by the Association of Centres of Expertise on Vocational Education, Training and the Labour Market (Colo) of the applicant's training.

This recognition policy is explained in detail by the Ministry of Health, Welfare and Sport in its Circulaire verklaring omtrent vakbekwaamheid van buitenslands gediplomeerden volksgezondheid of 21 April 2006, CIBG/VV- 2669498.

Top



3.1. The other applicants: Tests of Knowledge and Skills

By Decree of 2 March 2006, houdende wijziging van het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid (kennis- en vaardighedentoets), Stb. 2006, 159, the Minister of Health, Welfare and Sport has authorized the above-mentioned commission to stipulate that the foreign degree holder who has a certificate granted by the authorities of a state other than those within the EEA (sic), shall take tests of Knowledge and Skills for the benefit of its advice (artikel 3a).

The results of these tests, plus - where appropriate - the portfolio known as ‘eerder verworven competenties’ (i.e. previously acquired skills), form the basis on which the application is assessed. The applicant is allowed to plead his case in person in a so-called ‘dossiergesprek’ (dossier interview) with the Committee on Holders of Foreign Qualifications in Health Care.
The Committee uses this interview as the basis for a recommendation to the Minister of Health, Welfare and Sport.

For doctors these tests have already started.

The tests for nurses and dentists are being developed.

The introduction of general tests of knowledge and skills for all regulated professions is as yet uncertain. Development of such tests will depend on the number of applicants per profession.

It would not seem appropriate to set up and maintain a full testing system for one or two applicants per annum, according to the Explanatory Memorandum to this Decree.

Top



3.2. The other applicants: more information
It is the Ministry of Health, Welfare and Sport that decides on admission into the regulated professions in healthcare. For the benefit of foreign diploma holders this Ministry set up the Verwijspunt Buitenslands Gediplomeerden Volksgezondheid in January 2002. This Verwijspunt should be able to answer all their questions. Its co-ordinates are given below:


Verwijspunt Buitenslands Gediplomeerden Volksgezondheid
P.O. Box 16114
2500 BC Den Haag
Tel. +31 (0) 70-3406200
Fax. +31 (0) 70-3405966


Latest update: 18 December 2006
Home