Wet van 11 november 1993, Stb. 1993, 655,
houdende regelen inzake beroepen op het gebied van
de individuele gezondheidszorg
(Wet BIG)
Bron Stb. 1993, 655, geconsolideerd.
Inwerkingtreding:
1 december 1995 Besluit van 24 januari 1995, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 91 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, Stb. 1995, 80.
19 februari 1996 Ten aanzien van degenen die woonachtig zijn in de regio met de postcodenummers 1600 tot en met 2129 en vóór 1 december 1995 de bevoegdheid tot het voeren van de titel van verpleegkundige hebben verkregen, treden de artikelen 4 tot en met 7, 12, 100, 104, eerste lid, onder a, tweede en zesde lid, en 105, eerste en derde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in werking met ingang van 19 februari 1996
(Besluit van 30 januari 1996, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van enige bepalingen van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg ten aanzien van bepaalde verpleegkundigen,
Stb. 1996, 96).
1 april 1996 Ten aanzien van degenen die woonachtig zijn in de regio met de postcodenummers 2160 tot en met 2239, 2300 tot en met 2499, 2600 tot en met 2699, 3300 tot en met 3399 en 4200 tot en met 4299 en die vóór 1 december 1995 de bevoegdheid tot het voeren van de titel van verpleegkundige hebben verkregen, treden de artikelen 4 tot en met 7, 12, 100, 104, eerste lid, onder a, tweede en zesde lid, en 105, eerste en derde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in werking met ingang van 1 april 1996
(Besluit van 21 maart 1996, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van enige bepalingen van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg ten aanzien van bepaalde verpleegkundigen,
Stb. 1996, 191).
01-06-1996
01-08-1996
01-10-1996
01-12-1996
01-02-1997
01-04-1997
01-06-1997
01-08-1997
01-10-1997
Besluit van 13 mei 1996, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van enige bepalingen van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg ten aanzien van bepaalde verpleegkundigen,
Stb. 1996, 270).
1 december 1997 De artikelen 3, eerste lid, voor zover betrekking hebbende op het beroep van arts, tandarts, apotheker, fysiotherapeut en verloskundige, 14 tot en met 23, 28 tot en met 31, 34 tot en met 40, 45, 47, voor zover betrekking hebbende op het beroep van arts, tandarts, apotheker, fysiotherapeut, verloskundige en verpleegkundige, 48 tot en met 57, 59 tot en met 85, 91, 93, 96, 97, 99, 103, 104, eerste lid, onder b, derde en vierde lid, 105, vierde lid, 107 tot en met 111, 113, 114, 117, 119, 122 tot en met 126, 128, 129, 130, 137, 139, 144, 144a, 145, behalve voor zover dat artikel betrekking heeft op de Wet op de ziekenverzorgers en ziekenverzorgsters, alsmede artikel 146 treden in werking met ingang van 1 december 1997
(Besluit van 19 november 1997, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een groot aantal bepalingen van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en van enige op die wet gebaseerde algemene maatregelen van bestuur,
Stb. 1997, 553).




Top
Wet gewijzigd bij:


Wet van 14 september 1995 tot wijziging van
de Wet op de beroepen in de individuele Gezondheidszorg
Bron Stb. 1995, 518.
Iwtr. ...



Top
Wet van 26 november 1997 tot wijziging van de artikelen 29, 31 en 108 van de Wet op de beroepen in de individuele Gezondheidszorg
Bron Stb. 1997, 570.
Iwtr. 1 december 1997
(Besluit van 26 november 1997, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 26 november 1997 tot wijziging van de artikelen 29, 31 en 108 van de Wet op de beroepen in de individuele Gezondheidszorg,
Stb. 1997, 575
)
.



Top
Wet van 12 maart 1998 tot wijziging van een aantal bepalingen van
de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
Bron Stb. 1998, 154.
Iwtr. 1 april 1998
(Besluit van 17 maart 1998, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 12 maart 1998, houdende wijziging van een aantal bepalingen van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, van enige bepalingen van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en van enige op laatstgenoemde wet gebaseerde algemene maatregelen van bestuur,
Stb. 1998, 157).




Top
Wet van 29 april 1999 (Wijziging artikel 107 Wet op de beroepen in de gezondheidszorg en toevoeging van een artikel 107a)
Bron Stb. 1999, 326.
Iwtr. met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.



Top
Wet van 27 september 2001 (Aanpassingswet Euro)
Bron Stb. 2001, 481.
Iwtr. 1 januari 2002



Top
Wet van 22 mei 2003 tot wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met wijziging van aan buitenslands gediplomeerden te stellen eisen (buitenslands gediplomeerden)
Bron Stb. 2003, 289.
Iwtr. 15 juli 2003
(Besluit van 2 juli 2003, houdende inwerkingtreding van de wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg i.v.m. wijziging van aan buitenslands gediplomeerden te stellen eisen (buitenslands gediplomeerden),
Stb. 2003, 289)
.



Top

Toelichting

De Wet BIG is een kaderwet. Veel zaken worden geregeld bij Algemene Maatregel van Bestuur. De Wet BIG heeft als doelstelling de kwaliteit van de beroepsuitoefening te bevorderen en te bewaken en de patiënt te beschermen tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen door beroepsbeoefenaren. De wet spitst zich toe op de individuele gezondheidszorg, dat wil zeggen zorg die rechtstreeks is gericht op een persoon. De wet regelt de zorgverlening door beroepsbeoefenaren. In plaats van het verbod op uitoefening van de geneeskunst dat voordien gold is er nu een wettelijke regeling die het geneeskundig handelen in principe vrijlaat. Daarmee is ieders vrijheid om de hulpverlener te kiezen die hij of zij wenst, vergroot. Wel noemt de Wet BIG een aantal voorbehouden handelingen. Deze mogen alleen worden verricht door daartoe bevoegde beroepsbeoefenaren, om te voorkomen dat door ondeskundig handelen onaanvaardbare gezondheidsrisico’s voor de patiënt ontstaan. Bovendien is in de wet aan de vrijheid van medisch handelen een strafbepaling toegevoegd: het toebrengen van schade aan iemands gezondheid is strafbaar.

Voor een beperkt aantal beroepen is titelbescherming ingevoerd. Een dergelijke titel geeft aan dat de drager deskundig is op een bepaald terrein van de gezondheidszorg. Het voordien bestaande tuchtrecht voor de verschillende groepen beroepsbeoefenaren is aangepast; bepaalde groepen komen voor het eerst onder tuchtrecht te vallen.

Top

"Arbeidsmarktbeleid en opleidingen zorgsector

Het huidige stelsel van organisaties met bemoeienissen rond opleidingen en beroepen in de zorg is een historisch gegroeide lappendeken met vele regisseurs en onduidelijkheden in de verantwoordelijkheidsverdeling.
Er is dringend behoefte aan een transparante integrerende organisatie met een samenhangende besturingsstructuur die de benodigde modernisering op dit terrein kan bevorderen en accommoderen.

3. Kabinetsstandpunt
Op hoofdlijnen kan ik instemmen met het voorstel om een CBOG i.o. als tussenstructuur op te zetten voor de overgangsfase. De bestaande verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en veld wordt in belangrijke mate gecontinueerd. Er ontstaat één aanspreekpunt, dat een basis legt voor samenhang en modernisering van beroepen en opleidingen.
Hierin komt de gezamenlijk gedragen verantwoordelijkheid tot uiting.
Ik kan instemmen met het onderbrengen van de volgende taken bij het CBOG i.o. conform het voorstel van de MOBG:

• Ramen van c.q. adviseren over benodigde opleidingscapaciteit van opleidingen die zijn opgenomen in het opleidingsfonds.

• Doen van voorstellen voor toewijzing van opleidingsplaatsen voor zorgopleidingen die opgenomen zijn in het opleidingsfonds totdat een systeem van aanbesteding operationeel is. In het kader van uitwerken van een dergelijk systeem, dat in 2006 zal worden ontwikkeld, zal nagegaan worden waar deze taak wordt neergelegd.

• Doen en/of implementeren van voorstellen betreffende innovatie/ structuur beroepen/opleidingen.

Het betreffen hier respectievelijk taken van het Capaciteitsorgaan, BOLS+1, CONO (Coördinerend Orgaan voor Nascholing en Opleidingen in de GGZ) en de MOBG zelf.
Wat betreft de capaciteit stuurt de Minister van VWS door het jaarlijks vaststellen van het maximale budget voor de bekostiging van opleidingen, de normvergoeding respectievelijk de maximale prijs (P) en het aantal plaatsen per opleiding. In het nieuwe zorgstelsel vormt de benodigde capaciteit meer nog dan nuhet geval is een belangrijk aandachtspunt.

Het CBOG adviseert in het vaststellen van het aantal opleidingsplaatsen en na vaststelling daarvan door de Minister over de wijze waarop die kunnen worden toegekend. Dit zal uiteraard via een zorgvuldige en transparante procedure dienen plaats te vinden. Hiertoe zullen nadere criteria en procedures worden ontworpen. Een aandachtspunt daarbij vormt de regionale verdeling.

Voorts hecht ik er met partijen aan dat de noodzakelijke innovatie van beroepen en opleiding binnen het CBOG vorm krijgt."

Bron: BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT, 23 december 2005, TK 2005–2006, 29 282, nr. 25
.



College Beroepen en Opleidingen in de Gezondheidszorg (CBOG)

"Het College Beroepen en Opleidingen in de Gezondheidszorg (CBOG) gaat opleidingen en beroepen in de gezondheidszorg beter structureren. Het CBOG zal de minister van VWS voorstellen doen over de benodigde opleidingscapaciteit en over de toewijzing van opleidingsplaatsen. De minister beslist vervolgens.

Vandaag hebben minister Hoogervorst en mevrouw Sorgdrager een convenant ondertekend waarmee zij de samenwerking tussen de overheid en het CBOG bevestigen. Het CBOG is voortaan het enige aanspreekpunt (single point of contact) voor zowel het ministerie als de veldpartijen, als het gaat om opleidingen in de zorgsector. ‘Het is vanaf nu niet meer de bedoeling dat veldpartijen op eigen houtje met VWS gaan overleggen over opleidingen’, aldus Sorgdrager.

Het CBOG heeft als doel de personeelsbezetting in de gezondheidszorg te bevorderen en te bewaken. Het CBOG stelt ramingen op over de behoefte aan zorgpersoneel in de toekomst. Op basis daarvan komen zij tot een toewijzingsvoorstel voor opleidingsplaatsen van opleidingen die behoren tot het opleidingsfonds. Tot slot zal het CBOG innovatie van opleidingen en beroepen in de zorg stimuleren.

Het CBOG is op 20 juli 2006 opgericht, vanuit de behoefte aan een regisseur die de noodzakelijke modernisering van opleidingen en beroepen in de zorg kan bevorderen. Het CBOG is opgericht door vijf partijen uit de zorg: de Algemene Vereniging van Verpleegkundigen en Verzorgenden (AVVV), de Nederlandse Federatie van Universitaire Medische Centra (NFU), de Vereniging van ziekenhuizen (NVZ), het Koninklijk Nederlands Medisch Genootschap ter bevordering van de Geneeskunst (KNMG) en de Vereniging Geestelijke Gezondheidszorg Nederland (GGZ-Nederland). Sorgdrager is voorzitter a.i."

Bron: Nieuwsbericht VWS, 24-10-2006.



Top
Terug naar: Wetgeving.




Latest update: 28 oktober 2006.
Home